Politieke stromingen

In het vorige hoofdstuk werd de ideologische traditie van de christen-democratie behandeld. Terwijl bij het liberalisme het individu centraal staat, legt de christen-democratie de nadruk op samenwerking tussen verantwoordelijke mensen in een gemeenschap. De christen-democratie gaat uit van christelijke waarden en een op harmonie en samenwerking gebaseerde organische maatschappijvisie. In het verlengde hiervan speelt het corporatieve economische model en met name de beginselen van subsidiariteit en soevereiniteit in eigen kring een belangrijke rol in de huidige christen-democratie.

In dit hoofdstuk staat de sociaal-democratie centraal. De huidige sociaal-democratie behoort tot de ideologische traditie van het socialisme. De nadruk zal daarom liggen op de relatie tussen de ontwikkeling van socialistische ideeën (theorie) en de vorming van socialistische partijen (praktijk). Deze leereenheid beziet welke ideologische ontwikkelingen binnen de socialistische stromingen leidden tot veranderingen binnen bestaande socialistische partijen of tot de oprichting van nieuwe socialistische partijen.

In dit hoofdstuk zullen we een antwoord geven op de volgende vragen:

  • Bestaat er zoiets als hét socialisme of daarbinnen zoiets als dé sociaal-democratie?
  • Welke politieke filosofen en economen worden tot de grondleggers van het socialisme gerekend?
  • Welke theorieën hebben deze politieke filosofen en economen ontwikkeld en wat hebben zij gemeenschappelijk?
  • Wat wordt verstaan onder de sociaal-democratie?
  • Op welke maatschappelijke ontwikkeling in de negentiende eeuw was het ontstaan van socialistische partijen een reactie?
  • Wat was de eerste Nederlandse socialistische partij?
  • Welke drie socialistische stromingen kunnen rond 1900 in Nederland onderscheiden worden?
  • Hoe stelden deze socialistische partijen zich op ten aanzien van de sociale kwestie, de schoolstrijd en de kiesrechtkwestie?
  • Welke socialistische partijen vormden zich onder invloed van welke ideologische ontwikkelingen binnen elke socialistische stroming in de Nederlandse politiek?
  • Wat is Troelstra's vergissing?
  • Waarom wordt de PvdA bij haar oprichting een 'doorbraak'partij genoemd?
  • Welke houding ontwikkelden de sociaal-democraten ten aanzien van het corporatisme?
  • Welke houdingen ontwikkelden de sociaal-democraten ten aanzien van de verzorgings-staat?
  • Welke ontwikkelingen binnen de PvdA zijn aangeduid als 'Nieuw Links' en als 'nieuw realisme'?

De ontwikkeling van socialistische ideeën

In dit hoofdstuk staat de ontwikkeling van de sociaal-democratie centraal. De huidige sociaal-democratie maakt deel uit van de ideologische traditie van het socialisme. In hoofdstuk 1 Politieke stromingen en ideologieën werd vastgesteld dat het socialisme – evenals het liberalisme – verwijst naar een politieke stroming die de idealen van de Franse Revolutie verdedigt, te weten vrijheid en gelijkheid. In de ideologische traditie van het socialisme staat de gemeenschap centraal en wordt de nadruk gelegd op de waarde ‘solidariteit’. Er zou een bepaalde mate van economische gelijkheid tussen individuen in een gemeenschap moeten worden nagestreefd. De klassiek-liberale markteconomie (gebaseerd op de economische vrijheid van individuen) wordt onder meer bekritiseerd omdat zonder overheidsingrijpen binnen de gemeenschap onaanvaardbare economische ongelijkheden tussen mensen zouden ontstaan.

De huidige sociaal-democratische stroming maakt deel uit van de ideologische traditie van een aantal denkers dat een geheel van theoretische en normatieve uitgangspunten gemeenschappelijk heeft. Deze traditie wordt doorgaans aangeduid als het socialisme. Dit moet echter geenszins de indruk wekken dat er zoiets bestaat als ‘één blauwdruk van hét socialisme’ of daarbinnen van ‘dé sociaal-democratie’. Wel hebben al deze denkers enkele gemeenschappelijke uitgangspunten die op verschillende manieren geïnterpreteerd en uitgewerkt worden. Er bestaan dan ook meningsverschillen tussen socialistische filosofen en tussen mensen die zichzelf als socialist beschouwen. In deze paragraaf wordt vooral gekeken naar de gemeen-schappelijke elementen van de verschillende socialistische ideeën.

Een aantal politieke filosofen en economen wordt tot de grondleggers van het socialisme gerekend. Enkele van hen zijn reeds in de vorige hoofdstukken aan de orde geweest: Rousseau, Marx, Bakoenin en Rawls. Hieronder zijn de belangrijkste socialistische denkers op een rijtje gezet.

De ideologische traditie van het socialisme wordt onder meer geken-merkt door het streven naar (een bepaalde mate van) economische gelijkheid tussen de individuen in een gemeenschap. Dit gelijkheids-streven wordt als eerste aangetroffen bij de zogenaamde ‘vroege socialisten’, zoals More, Owen, Fourier en Saint-Simon, die een beeld schetsten van de ideale samenleving. Marx noemde deze denkers ‘utopisch socialisten’. Hieronder worden als eerste enkele ‘vroege socialisten’ besproken. Daarna komt het werk van Marx en Engels aan bod alsmede enkele verschillende varianten van het marxisme (zoals marxisme-leninisme). Tenslotte vindt een bespreking plaats van de grondige aanpassing van het marxisme in de sociaal-democratie.
Volgens Plato (427-347 v.Chr.) zou een regerende elite van wijze filosofen in gemeenschap van goederen moeten leven om de onderlinge harmonie te bewaren. Volgens hem zouden concurrentie en eigenbelang binnen deze elite het verstandig regeren ondermijnen. Particulier eigendom zou daarom moeten ontbreken zodat leden van de regerende elite zich niet laten verleiden tot materieel winstbejag. In de door More (1478-1535) geschetste ideale samenleving ‘Utopia’ en in de door Campannella (1503-1574) geschetste ideale samenleving ‘Zonnestaat’ zou economische gelijkheid niet binnen een elite, maar binnen de gehele gemeenschap moeten gelden. Owen (1771-1858) was een rijke fabriekseigenaar die zijn fabrieken wilde omvormen tot zogenaamde ‘associaties’: woon-, werk- en leefgemeenschappen waarin de bewoners een bepaalde mate van arbeid zouden moeten verrichten ten bate van de gemeenschap en daarvoor naar behoefte (‘uit de gezamenlijke pot’) voorzieningen ontvangen. Hoewel Owen betere werkomstandigheden, behuizing en lonen voor zijn arbeiders bewerkstelligde, mislukten zijn experimentele gemeenschappen. Fourier (1772-1837) bepleitte de vorming van ‘phalanstères’ die sterk lijken op de ideale samenlevingen van More, Campanella en Owen. Fourier wilde het particulier bezit echter niet volledig afschaffen. De ‘phalanstères’ zouden gefinancierd kunnen worden door kapitaalbezitters of door middel van aandelen die de bewoners zelf zouden kunnen kopen. Volgens Saint-Simon (1760-1825) is de handhaving van particulier eigendom gerechtvaardigd als dit zodanig aangewend wordt, dat de economische positie van de arbeiders verbetert. Hoewel klassieke liberale economen als Smith en Ricardo (tijdgenoten van Saint-Simon) uitgingen van het zogenaamde ‘trickle-down’-effect van de vrijemarkteconomie, bepleitte Saint-Simon een centrale en rationele overheidsplanning van de economie.
Bovenstaande zogenaamde ‘vroege socialisten’ bepleitten een vreedzame verandering van de samenleving. De door hen geschetste ideale samen-levingen worden gekenmerkt door (een bepaalde mate van) econo-mische gelijkheid tussen de burgers, door een beperking of afschaffing van particulier bezit, door de vorming van bepaalde gemeenschappelijke voorzieningen en door de strijd tegen armoede in de samenleving.

Rousseau (1712-1778) ging als typische Verlichtingsfilosoof uit van de maakbaarheid van de samenleving. Deze visie ligt ten grondslag aan de zowel door socialisten als liberalen gedragen assumptie van geestelijke en materiële (economische) vooruitgang. De verdediging van Rousseau van de principes van democratie en volkssoevereiniteit (door middel van een theorie van het maatschappelijk verdrag) behoort tot de basis van zowel het socialisme als het liberalisme. Rousseau heeft met zijn idee van een ondeelbare volkswil echter ook intellectuele voeding gegeven aan totalitaire politieke stromingen en ideologieën, zoals totalitaire varianten van het socialisme.

Marx (1818-1883) meende dat de Franse Revolutie (die destijds onder meer op grond van het principe van volkssoevereiniteit was verdedigd) níet de beloofde ‘vrijheid, gelijkheid en broederschap’ voor allen had gebracht. Volgens Marx bleef de toestand van armoede en onder-drukking voor de bezitloze arbeiders vrijwel ongewijzigd. De ideeën van Marx zijn sterk beïnvloed door Hegel (1770-1831). In navolging van Hegel meent Marx dat de geschiedenis bepaald wordt door boven-persoonlijke factoren. Politieke actoren zouden níet in strijd met deze historische bewegingen moeten (en kunnen) handelen. Het idee van onder meer Rousseau van een maatschappelijk verdrag zou daarom onmogelijk zijn. Volgens Hegel wordt de geschiedenis bewogen door het geestelijke. In tegenstelling tot Hegel meent Marx dat de geschiedenis bewogen wordt door het materiële, namelijk de strijd tussen klassen om de productiemiddelen. Anders dan de politieke filosofen die vorm gaven aan het liberalisme of de christen-democratie, gaat Marx uit van het bestaan van één fundamentele tegenstelling in de industriële samenleving: de tegenstelling tussen de klasse van bezitters en de klasse van bezitlozen. De klasse van bezitters, de bourgeosie, beschikt over de productiefactoren kapitaal (zoals fabrieken) en natuur (zoals grond). De klasse van bezitlozen, het proletariaat, beschikt slechts over zijn arbeidskracht.

Marx' fundamentele bijdrage is zijn poging de communistische leer een wetenschappelijk karakter te geven. De utopisch-socialisten of communisten bekritiseerden de kapitalistische produktiewijze en haar gevolgen, maar gaven niet aan hoe de verhoudingen historisch waren gegroeid en waar ze noodzakelijkerwijs op uit zouden lopen. Marx onderzocht nauwkeurig het verloop van de geschiedenis en wees de krachten aan die daarin werkzaam waren. Tevens gaf hij aan dat het resultaat van de werking van de maatschappelijke krachten onvermijdelijk een communistische samenleving zou zijn.

De vrijemarkteconomie, die onder meer door Smith en Ricardo is verdedigd, zal volgens Marx door haar eigen werking ten onder gaan. Marx betoogt in onder meer Das Kapital dat de winst die een onder-neming maakt, uitbuiting van de werknemers betekent. Marx spreekt niet over winst maar over ‘meerwaarde’ om aan te geven dat lonen, prijzen en investeringen slechts uiterlijke vormen zijn van een veel fundamenteler mechanisme. In dat mechanisme speelt de arbeids-waardetheorie een belangrijke rol. Hoewel deze theorie een centrale plaats heeft in het klassieke werk van Marx, beperkt dit hoofdstuk zich tot de gebruikelijke economische terminologie. Het produkt dat de werknemers gezamenlijk vervaardigd hebben, levert op de markt een bepaalde prijs op. De opbrengst wordt niet verdeeld over de werknemers, maar komt – volgens Marx ten onrechte – in handen van de werkgever. Een deel van de opbrengst wordt gebruikt (1) voor het loon van de werknemers, een deel voor (2) bedrijfsinvesteringen en een deel (3) behoudt de werkgever zelf.

  1. In een vrije markt is het voor een werkgever rationeel om zo laag mogelijke productiekosten te maken. Een werkgever zal het liefst zo laag mogelijke lonen uitbetalen. Om het productieproces te continueren zouden de werknemers echter niet moeten sterven van de honger. De klassieke liberaal Ricardo had reeds betoogd dat de werkgever zijn werknemers daarom net genoeg zou moeten uitbetalen, zodat ze niet doodgaan van de honger. Marx stelt daarom dat een onbelemmerde werking van het marktmechanisme tot een zogenaamde ‘Verelendung’, een verarming, van de arbeiders leidt. In de politieke filosofie en economie wordt deze theorie aangeduid als de Verelendungstheorie van Marx.
  2. Volgens de rationaliteit van het marktmechanisme streven werkgevers naar een zo groot mogelijke winst en een dominante marktpositie. Een deel van de opbrengst gebruikt een werkgever daarom voor bedrijfsinvesteringen. De uitbreidingen van ondernemingen noemt Marx de accumulatie van kapitaal. In de politieke filosofie en economie wordt deze theorie aangeduid als de accumulatietheorie van Marx. Door de concurrentie binnen de vrije markt zullen volgens Marx kleine en middenbedrijven het afleggen tegen grote bedrijven die hun producten relatief goedkoop kunnen aanbieden. Minder grote bedrijven zullen daarom failliet gaan of worden ingelijfd door de grote ondernemingen. Marx betitelt deze ontwikkeling als de concentratie van kapitaal. In de politieke filosofie en economie wordt deze theorie aangeduid als de concentratietheorie van Marx.
  3. Een deel van de opbrengst behoudt de werkgever zelf. Marx beschouwt echter de opbrengst van het door de werknemers gezamenlijk vervaardigde product als hun rechtmatig bezit. De werkgever zou de werknemers uitbuiten door een deel van de meerwaarde (winst) in eigen zak te steken. In de politieke filosofie en economie wordt deze theorie (een onderdeel van) de meerwaardeleer van Marx genoemd.

In een vrije markt is volgens Marx sprake van telkens terugkerende economische crises. Marx wijst op de, eveneens door klassieke economen waargenomen, conjunctuurbeweging in een vrijemarkteconomie: bewegingen van economische groei en economische recessie. Na een fase van economische groei en de uitbreiding van reeds bestaande ondernemingen (accumulatie van kapitaal) zou concurrentie tussen ondernemingen leiden tot het noodgedwongen verlagen van de prijzen, waardoor de winsten voor ondernemingen afnemen. Bovendien ontstaat volgens Marx overproductie omdat de productiecapaciteit sneller zou toenemen dan de afzetmogelijkheden. Het marktmechanisme leidt volgens Marx door middel van concurrentie en overproductie tot economische crises, waarin kleine en middenbedrijven failliet gaan (concentratie van kapitaal) en het productieproces bij de overgebleven bedrijven ingekrompen wordt. De werkloosheid die hierdoor ontstaat, zou de economische crisis versterken doordat het toegenomen aantal werklozen geen of nauwelijks geld heeft om producten te kopen. Dit zou leiden tot een verdere afname van de vraag naar producten, een verdere daling van de winst, meer faillissementen en saneringen, en weer meer werklozen. De economische crises zouden door bovenstaande processen uiteindelijk zo hevig worden, dat de vrijemarkteconomie instort en het proletariaat van arbeiders en werklozen spontaan in opstand komt. De vrije markt zou door haar veronderstelde economische wetmatigheden zelf de volgens Marx historisch onvermijdelijke komst van de socialistische maatschappij veroorzaken. In de politieke filosofie en economie wordt deze theorie de crisistheorie van Marx genoemd.

In het Communistisch Manifest schetst Marx samen met Engels (1820-1895) enkele trekken van de volgens hen onvermijdelijke socialistische maatschappij, waarin het particuliere eigendom is afgeschaft en alle eigendom in handen van de gemeenschap is gebracht. Volgens Marx en Engels betekent de val van de vrijemarkteconomie het einde van de economische uitbuiting van werknemers: de meerwaarde komt immers in handen van de werknemers zelf.
Het proletariaat van werkende en werkloze arbeiders zou door middel van een gewelddadige revolutie de heersende klasse moeten worden. Aangezien de staat volgens Marx de belangen van de heersende klasse weerspiegelt, behartigt de staat dan de belangen van het proletariaat. Marx beschouwt deze ‘dictatuur van het proletariaat’ als de socialistische tussenfase vóór de communistische eindfase. Met deze dictatuur van het proletariaat beoogde Marx geen bloedige onderdrukking van een meerderheid door een minderheid van arbeiders. Ten eerste zou het proletariaat de meerderheid en de fabriekseigenaren en grootgrond-bezitters de minderheid van de bevolking uitmaken. Ten tweede spreekt Marx van dictatuur omdat iedere (dus ook de socialistische) staat per definitie een dictatuur zou zijn, namelijk de uitdrukking van heer-schappij van een heersende klasse. De overgang van het kapitalisme naar het socialisme zou echter niet geweldloos kunnen verlopen: Marx verklaarde openlijk dat zijn einddoel slechts bereikt zou kunnen worden ‘door de gewelddadige omverwerping der gehele bestaande maatschappelijke orde. Mogen de heersende klassen voor de communistische revolutie sidderen!’ (Marx, Communistisch Manifest).
In de socialistische tussenfase wordt onder meer het kapitaal van de fabriekseigenaren en de grond van de grootgrondbezitters onteigend en komen de productiemiddelen eerst in handen van de staat. Bovendien wordt de kinderarbeid afgeschaft en worden sterk progressieve belastingen doorgevoerd. Omdat door deze en andere maatregelen de klassentegenstellingen uiteindelijk zouden verdwijnen, zou de staat overbodig worden. De staat zou immers volgens Marx alleen de belangen van de heersende klassen weerspiegelen en als de klassen verdwijnen, vervalt deze staatsfunctie. In de communistische eindfase zijn de productiemiddelen daarom uiteindelijk niet meer in handen van de staat, maar in handen van de gemeenschap.

Marx en Engels noemden zich wetenschappelijk socialisten. Zij zouden niet alleen een utopisch beeld van de ideale samenleving hebben geschetst (zoals de vroege, utopische socialisten), maar zij zouden tevens de ondergang van de vrijemarkteconomie (het kapitalisme) en de onvermijdelijkheid van een proletarische revolutie wetenschappelijk hebben aangetoond. De politieke theorie van Marx vormt de basis van de communistische (of: marxistische) stroming.

Diverse politieke theoretici en filosofen baseren hun theorie op (onder-delen uit) de marxistische leer, zoals Lenin en Mao Zedong. Lenin (1870-1924) ontwikkelde onder meer de voorhoedetheorie: het proletariaat zou weinig klassebewust en revolutionair gezind zijn, waardoor een proletarische revolutie niet spontaan ontstaat. Daarom zouden volgens Lenin intellectuele beroepsrevolutionairen binnen een communistische partij leiding moeten geven aan de proletarische revolutie. De politieke ideeën van Lenin vormen de basis van de marxistisch-leninistische stroming. Mao Zedong (1893-1976) week onder meer van het marxisme af door de arme ongeletterde boeren (en niet de fabrieksarbeiders) als basis van de socialistische revolutie te beschouwen. De politieke ideeën van Mao vormen de basis van de maoïstische stroming. Diverse andere politieke leiders formuleerden naar hen genoemde varianten op het marxisme, zoals stalinisme (Stalin), trotskisme (Trotski), titoïsme (Tito) en castrisme (Castro).

Bakoenin (1814-1876) had, net als Marx, een negatieve visie op de staat (de staat als onderdrukker) en het ideaal van een staatloze samenleving. Volgens Bakoenin zou de staat echter niet overgenomen moeten worden door het proletariaat (zoals Marx bepleitte) omdat dit zou leiden tot een nieuwe vorm van onderdrukking. In overeenstemming met het liberalisme werd een sterke nadruk op individuele vrijheid en democratie gelegd. In tegenstelling tot het liberalisme zouden de staat en het particulier eigendom (de basis van een vrijemarkteconomie) afgeschaft moeten worden. Een samenleving zou pas democratisch en vrij kunnen zijn als alle gezags- en machtsrelaties tussen individuen zijn verdwenen. De parlementaire democratie zou daarom vervangen moeten worden door een bepaalde vorm van directe democratie. De staat zou vervangen moeten worden door een maatschappelijke organisatie van vrije individuen en economische organisaties, die op vrijwillige basis en zonder dwang met elkaar samenwerken. Op deze manier zou orde ontstaan zónder gezag: anarchie (letterlijk in het Grieks: geen gezag). Bakoenin was een voorstander van een gewelddadige strijd tegen elke staatsautoriteit. Andere anarchistische politieke filosofen, zoals Tolstoj (1828-1910) en Kropotkin (1842-1921), bepleitten principiële geweldloosheid. De politieke ideeën van onder meer Bakoenin, Tolstoj en Kropotkin vormen de basis van de anarchistische stroming.

Bernstein (1850-1932) deelde de kritiek van onder meer Marx op de vrijemarkteconomie. In navolging van enkele vroege socialisten en van Marx pleitte Bernstein voor de emancipatie van de arbeiders, voor de financiële en sociale verbetering van hun positie. Bernstein pleitte echter voor revisionisme: hij meende dat de marxistische leer aangepast (gereviseerd) zou moeten worden. Volgens Bernstein waren de maatschappelijke ontwikkelingen in de tweede helft van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw voor een deel niet zo verlopen als Marx met zijn theorie van wetmatigheden voorspeld had. Bernstein argumenteerde dat in sommige bedrijfstakken geen concentratie van kapitaal had plaatsgevonden (zoals landbouw) en dat het aantal ondernemingen in bepaalde bedrijfstakken juist toegenomen zou zijn. Bovendien zou het probleem van de uitbuiting van arbeiders in de praktijk weinig te maken hebben met de meerwaarde binnen een onderneming. Bedrijven met een hoge meerwaardevoet zouden hun werknemers zelfs meer loon betalen dan bedrijven met een lage meerwaardevoet. Bernstein wees daarnaast op de ‘sociale maatregelen’ die onder meer door de druk van de socialistische partijen en vakbonden tot stand waren gekomen: sociale wetgeving (zoals het verbod op kinderarbeid), sociale verzekeringen voor werknemers (zoals aanvankelijk beperkte invaliditeits- en pensioensverzekeringen) en de uitbreiding van het kiesrecht. Door onder meer de overheidsinperking van het marktmechanisme zou de Verelendung van het proletariaat zich niet hebben doorgezet. Bernstein meende dat de geschiedenis niet alleen bepaald werd door economische, materiële verhoudingen, maar ook door niet-materiële factoren zoals aan overheidsbeleid ten grondslag liggende waarden. Volgens Bernstein zou het socialisme niet dichterbij komen door economische crises (zoals Marx in zijn crisistheorie beweert), maar juist door economische groei. Economische groei zou het mogelijk maken steeds meer en betere sociale wetgeving en sociale verzekeringen in te voeren. Bernstein keerde zich dan ook tegen een gewelddadige revolutie, die volgens hem de belangen van de arbeiders alleen maar zou schaden. Bernstein pleitte daarentegen voor reformisme: het hervormen, het reformeren, van de vrijemarkteconomie. Ongelijkheden in inkomens, bezittingen en kansen die in een vrije markt tussen individuen kunnen ontstaan, zouden door middel van overheidsingrijpen in een bepaalde mate gecorrigeerd moeten worden.
Bernstein had in tegenstelling tot Marx een positieve houding ten aanzien van de staat en de parlementaire democratie. Van oorsprong liberale ideeën over door een grondwet gegarandeerde individuele vrijheden (zoals vrijheid van meningsuiting) zouden de basis moeten vormen van de op een bepaalde mate van economische gelijkheid gerichte democratische en sociale rechtsstaat. Aanhangers van het revisionisme en reformisme van Bernstein noemden zich dan ook democratisch socialisten of sociaal-democraten. De reformistische ideeën van onder meer Bernstein vormen de basis voor de sociaal-democratische stroming.

Met name de sociaal-democraten maakten in de twintigste eeuw gebruik van de kritiek van de econoom Keynes (1883-1946) op de klassiek-liberale vrijemarkteconomie. Keynes, destijds lid van de Liberale (!) Partij in Groot-Brittannië, achtte net als Bernstein overheidsingrijpen in de vrije markt noodzakelijk om massale werkloosheid te voorkomen. Volgens Keynes kan werkloosheid veroorzaakt worden door een tekortschietende vraag naar goederen en diensten. De overheid zou deze vraag dan moeten stimuleren door onder meer investeringsmogelijkheden te verruimen. Bij werkloosheid pleiten de klassiek-liberale economen onder meer voor loonsverlagingen. Volgens Keynes leiden loonsverlagingen echter tot een verlies van de koopkrachtige vraag, waardoor uiteindelijk de werkloosheid verder aangewakkerd wordt. In de jaren zeventig van de twintigste eeuw bleek echter ook dat te sterke loonstijgingen eveneens aan werkloosheid konden bijdragen.
In het verlengde van de reformistische kritiek op het marktmechanisme maken onder meer de sociaal-democraten in de tweede helft van de twintigste eeuw gebruik van de inzichten van de econoom Olson (die het liberalisme eveneens beïnvloedde). Olson benadrukte dat sommige collectieve goederen, zoals defensie en dijken, in een vrije markt zonder overheidsingrijpen niet tot stand komen omdat de winst voor een (groep) individu(en) nooit groter is dan de kosten om deze goederen tot stand te brengen. Sociaal-democraten menen dat de redenering van Olson eveneens opgaat voor bepaalde door hen gewenste inkomens-herverdelingen en sociale voorzieningen die de overheid via belastingen zou moeten realiseren.

John Rawls (Foto: Wikipedia) John Rawls (1921-2002) kiest in navolging van klassieke liberalen als Locke principieel voor de volgens zowel liberalen als sociaal-democraten gewenste staatsbescherming van onvervreemdbare persoonlijke en politieke vrijheden. Terwijl liberalen daarnaast wijzen op het mogelijke positieve effect van een ongelijke inkomensverdeling, benadrukken sociaal-democraten Rawls’ aandacht voor de gelijke verdeling van allerlei waarden, zoals een eerlijke gelijkheid van kansen voor iedereen en een zo goed mogelijke positie van de armsten in de samenleving. Rawls geeft met zijn rechtvaardigheidstheorie dan ook een filosofische handreiking aan (zowel de meeste huidige liberalen als) sociaal-democraten, die een gedeeltelijke inkomensherverdeling door de staat rechtvaardig achten.

Het gemeenschappelijk uitgangspunt van bovenstaande filosofen en economen wordt gevormd door de nadruk op de waarde ‘solidariteit’ tussen de individuen in een gemeenschap. Deze solidariteit zou onder meer tot uiting moeten komen in een bepaalde mate van economische gelijkheid tussen de individuen in een gemeenschap. Alle bovenstaande denkers uit(t)en kritiek op de klassiek-liberale vrijemarkteconomie. Zij menen dat zonder overheidingrijpen in de vrije markt onaanvaardbare inkomensverschillen (of: economische ongelijkheden) ontstaan en de productie van collectieve goederen stagneert. Rousseau besteedde geen aandacht aan economische gelijkheid of aan (de al dan niet vermeende nadelen van) het marktmechanisme. Maar door zijn aandacht voor de gemeenschap en zijn uitgangspunt van de maakbaarheid van de samenleving heeft Rousseau het socialisme beïnvloed. De sociaal-democratie onderscheidt zich van de andere tot de ideologische traditie van het socialisme behorende stromingen door de nadruk zowel op sociale hervormingen via overheidsingrijpen binnen de vrije markt (bijsturing van de overheid in de markteconomie), als op de parlementaire democratie (democratische staat), als op individuele vrijheidsrechten, bijvoorbeeld particulier bezit, vrijheid van meningsuiting en kiesrecht (rechtsstaat). Bij deze sociale hervormingen spelen de criteria van eerlijke kansen voor individuen en een bepaalde mate van economische gelijkheid tussen individuen een doorslaggevende rol.

De relatie tussen de ontwikkeling van socialistische ideeën en de vorming van socialistische partijen in Nederland

Onder meer het anarchisme, het marxisme en het democratisch socialisme (sociaal-democratie) behoren tot de ideologische traditie van het socialisme. De relatie tussen de ontwikkeling van socialistische ideeën en de vorming van socialistische partijen in Nederland komt op twee manieren tot uiting. Ten eerste leidt de ontwikkeling van socialistische ideeën tot de oprichting van (nieuwe) socialistische partijen of tot afsplitsingen van bestaande socialistische partijen. Ten tweede vindt een ontwikkeling van socialistische ideeën plaats binnen de socialistische politieke partijen.

In paragraaf 2.1 staat een tekstbijdrage centraal. Deze tekstbijdrage is een deel van paragraaf 2.4 ‘De socialistische partijen’ uit het hoofdstuk ‘Politieke partijen’ van R.A. Koole. Het hoofdstuk is afkomstig uit de in 1986 verschenen uitgave Compendium voor politiek en samenleving, onder redactie van H. Daalder en C.J.M. Schuyt. De tekstbijdrage wijdt een (kort) woord aan het ontstaan van de socialistische stroming voor de jaren tachtig van de negentiende eeuw. Vervolgens geeft de tekst een globale schets van de ontwikkeling van de socialistische partijen in Nederland vanaf de jaren tachtig van de negentiende eeuw. Na de tekstbijdrage zal op een aantal punten de relatie tussen de ontwikkeling van socialistische ideeën en de vorming van socialistische partijen verduidelijkt worden.

Het ontstaan van de socialistische stroming en het ontstaan en de ontwikkeling van socialistische partijen in Nederland

Vladimir Lenin (Foto: Wikipedia) In de volgende tekstbijdrage wordt gesproken over syndicalisme en bolsjewisme. Syndicalisten (syndicat betekent vakbeweging) willen de staat vervangen door federatief en functioneel georganiseerde verenigingen van producenten. In navolging van Sorel (1847-1923) willen syndicalisten een socialistische revolutie veroorzaken door middel van directe actie (sabotage, boycot, stakingen).
Het bolsjewisme (betekent in het Russisch meerderheid) verwijst naar een in 1903 door Vladimir Lenin aangevoerde afsplitsing van de Russische arbeiderspartij. Deze leninistische afsplitsing maakte in het jaar 1903 de meerderheid binnen de arbeiderspartij uit en resulteerde na de Russische Revolutie van 1917 in de oprichting van de Russische Communistische Partij. De communisten in deze communistische partij bleven zich tot 1952 bolsjewisten noemen. In landen buiten de voormalige Sovjet-Unie, zoals Nederland, noemden communisten zich bolsjewisten als zij zich bedienden van marxistisch-leninistische ideeën.


Bron: R.A. Koole, ‘Politieke partijen’, in: H. Daalder en C.J.M. Schuyt, Compendium voor politiek en samenleving in Nederland, Alphen a/d Rijn, Samsom, 1986.

Toelichting bij de tekstbijdrage
In de laatste twee decennia van de negentiende eeuw werden de termen ‘socialisme’, ‘sociaal-democratie’ en ‘communisme’ nog al eens door elkaar gebruikt. Hoewel de partijnaam anders doet vermoeden, was de in 1882 opgerichte Sociaal-Democratische Bond (SDB) gegrondvest op de anarchistische stroming. De SDB werd in 1894 verboden en bleef onder de naam Socialistenbond enkele jaren voortbestaan. De anarchisten beschouwden de parlementaire democratie echter als een surrogaat voor een vorm van directe democratie en keerden zich tegen politieke partijen. De meeste anarchisten sloten zich daarom na het verbod van de SDB aan bij een landelijke organisatie van anarchistische vakbonden, het Nationaal Arbeids Secretariaat. De syndicalistische ideeën van het NAS vonden uiteindelijk minder weerklank dan het in 1906 opgerichte sociaal-democratische Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV). Hoewel ook hier de partijnaam anders doet vermoeden, was de in 1909 opgerichte Sociaal-Demokratische Partij (SDP) gegrondvest op de communistische stroming. De SDP noemde zich vanaf 1919 Communistische Partij Holland (CPH) en vanaf 1935 Communistische Partij Nederland (CPN). Vanaf de tweede helft van de jaren zeventig vonden ideologische veranderingen plaats binnen de CPN. Diverse partijleden stelden zich kritisch op ten aanzien van de bestaande communistische landen en het marxisme, terwijl postmaterialistische waarden ingang in de partij vonden. In 1990 ging de CPN op in GroenLinks.
De in 1894 opgerichte Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP) is wél gegrondvest op de sociaal-democratische stroming. De sociaal-democratische arbeiderspartij SDAP fuseerde in 1946 met de confessionele CDU en de vrijzinnig-liberale VDB in een poging de verzuiling te doorbreken. Uit deze fusie ontstond de sociaal-democratische volkspartij Partij van de Arbeid (PvdA); zie verder in deze paragraaf.

Een aantal politicologen stelt dat de sociale kwestie, de armoede onder boeren en arbeiders, de oorzaak is van het ontstaan van socialistische partijen in Nederland (zie tekstbijdrage Koole, 1986). De sociaal-democraten pleitten voor uitbreiding van het kiesrecht, de communisten legden echter de nadruk op de klassenstrijd en de anarchisten concentreerden zich op de bestrijding van de staatsmacht. De SDAP sprak zich in 1902 uit voor de staatssubsidiëring van bijzondere scholen om katholieke en protestantse arbeiders voor zich te winnen. In 1917 vond de zogenaamde Pacificatie plaats, waarin zowel de schoolstrijd als de kiesrechtkwestie werd opgelost.

Na de revolutie in Rusland (1917) en in Oostenrijk-Hongarije en Duitsland (1918) verwachtte Troelstra, die deel uit maakte van de partijleiding van de SDAP, een soortgelijke ‘onvermijdelijke’ revolutie in Nederland. Troelstra’s rede in de Tweede Kamer op 12 november 1918 werd door velen uitgelegd als de aankondiging van een staatsgreep. Deze rede wekte niet alleen weerzin op binnen de liberale en confes-sionele partijen, maar eveneens binnen de reformistische partijleiding van de SDAP. Troelstra erkende zijn verkeerde inschatting van de machtsverhoudingen, maar bleef geloven in de onvermijdelijkheid van een socialistische revolutie. Ondanks Troelstra’s vergissing werden enkele concrete sociaal-democratische eisen door een parlementaire meerderheid aanvaard, zoals de invoering van de acht-urige werkdag.

In 1946 fuseerde de SDAP met de de vrijzinnig-liberale VDB en de confessionele CDU in een poging de verzuiling te doorbreken. De PvdA benadrukte een volkspartij te zijn en geen arbeiderspartij zoals de vroegere SDAP. De verzuiling, en daarmee eveneens de socialistische zuil met onder meer een socialistische partij, vakbond en omroep, bleef in stand na het mislukken van deze doorbraakpoging. In 1954 werd het katholieken middels een Bisschoppelijk Mandement verboden om lid te worden van socialistische (dus ook sociaal-democratische) organisaties, zoals partijen, vakbonden en omroepen. In de tweede helft van de jaren zestig zou de ontzuiling van de Nederlandse samenleving haar intrede doen.

De SDAP ontwikkelde in de periode tussen de wereldoorlogen een voorkeur voor overheidsplanning van de economie in corporatistische organen. De economische crisis in de jaren dertig zou de noodzaak tot planning bewezen hebben. Ondernemingen zouden planmatig geleid moeten worden door functioneel gedecentraliseerde corporatistische organisaties van overheid, werkgevers en werknemers. Deze ideeën kwamen grotendeels overeen met de corporatistische ideeën van de confessionelen waarbij decentralisatie centraal stond. Niettemin beoogde een aantal sociaal-democraten aanvankelijk onder meer de instelling van een wetenschappelijk planbureau van de centrale overheid met vergaande bevoegdheden. Ondanks de erkenning door liberalen en confessionelen van enkele overheidstaken in de economie (zoals een geleide loonpolitiek en de instelling van sociale voorzieningen), werd een plangeleide economie – ook door een aantal sociaal-democraten – afgewezen. Zo werd bijvoorbeeld in 1945 weliswaar het Centraal Planbureau opgericht, maar dan met een adviserende taak. Ten aanzien van het ingrijpen van de centrale overheid in de economie benadrukten de liberalen de verstoring van het regulerend mechanisme van de vrije markt en bepleitten de confessionelen decentralisatie vanuit de beginselen van subsidiariteit en van soevereiniteit in eigen kring.

Onder meer door de invloed van de compromisvorming in coalitie-regeringen waar de PvdA na de Tweede Wereldoorlog aan deelnam, verschoof de aandacht van de sociaal-democraten van een sturende naar een verzorgende taak van de overheid. De verzorgingsstaat is nooit een vooropgezet plan geweest, maar is gevormd door incidentele beslissingen van diverse politieke stromingen, eveneens ten tijde van confessioneel-liberale coalitiekabinetten. Niettemin ontpopte de PvdA zich als hoeder van de verzorgingsstaat. In de tweede helft van de jaren zestig groeide met name binnen de linkse partijen de aandacht voor postmaterialistische waarden. In de PvdA vond in de jaren zeventig een aantal veranderingen plaats onder invloed van een progressieve groep PvdA-leden, Nieuw Links genaamd. De PvdA richtte zich gedurende deze jaren onder meer op democratisering, inkomensnivellering, vrouwen-emancipatie en polarisatie (het benadrukken van de tegenstellingen tussen progressieve en conservatieve partijen). De economische crises van de jaren zeventig en de daardoor ontstane crisis van de verzorgingsstaat in de jaren tachtig dwongen de PvdA echter na te denken over de omvang van de collectieve sector.

Joop den Uyl (Foto: Wikipedia) Een minderheid binnen de PvdA heeft zich uitgesproken voor een ministelsel, waarbij de overheid nog 'slechts' de uitkeringen tot aan het sociaal minimumniveau regelt, of voor een basisinkomen, dat alle uitkeringen tot aan het minimumniveau vervangt. Een meerderheid binnen de huidige PvdA benadrukt de noodzaak van een neo-corporatistische interventiestaat: om bestaanszekerheid te garanderen moet de overheid interveniëren in de markt, terwijl bij overheids-planning overleg met belangengroepen, zoals werkgevers en werknemers, onontbeerlijk wordt geacht. De daarnaast ontstane sceptische houding ten aanzien van de stuurbaarheid van de staat en de maakbaarheid van de samenleving wordt wel als 'nieuw realisme' aangeduid. Deze visie kwam tot uidrukking in het beleid van de in 1994 gevormde 'paarse coalitie' van PvdA, VVD en D66.

De communistische CPN, de socialistische PSP, en de confessionele PPR en EVP zijn in 1990 gefuseerd in het (overigens niet-confessionele) GroenLinks. De fusie werd onder druk van electorale verliezen mogelijk door de verkleinde ideologische afstand tussen deze partijen en door het aandringen van een deel van de participanten in sociale bewegingen.

De ontwikkeling van de socialistische stroming in Nederland vanaf 1880 kan als volgt in schema worden gebracht: Toelichting
Enkele socialistische splinterpartijen ontbreken in het schema, zoals de Socialistiese Arbeiderspartij SAP. Het schema spreekt over de socialistische/communistische stroming. In dit hoofdstuk werd echter socialisme als overkoepelend begrip gebruikt; het communisme wordt dan beschouwd, naast bijvoorbeeld het democratisch socialisme (sociaal-democratie) of het anarchisme, als een variant van het socialisme. Daarom wordt over de socialistische stroming gesproken. Dit hoofdstuk concentreerde zich overigens op de sociaal-democratie.
Voor ontwikkelingen op het sociaal-democratische front in de laatste decennia: zie verderop in hoofdstuk vijf.

In het schema zijn drie partijen uit de confessionele stroming opgenomen (CDU, EVP, PPR) en twee partijen uit de liberale stroming (VDB, VVD). De confessionele CDU fuseerde in 1946 met de vrijzinnig-liberale VDB en de sociaal-democratische SDAP in de PvdA, die daarmee een doorbraak van de verzuiling beoogde. Hoewel de VDB in de PvdA bleef, verliet een aantal liberalen (de zogenaamde groep-Oud) deze ‘doorbraak’-partij ongeveer een jaar na haar oprichting. In 1948 fuseerde de liberale groep-Oud vervolgens met de Partij van de Vrijheid in de VVD. Daarom zou in het schema een (nu ontbrekende) pijl moeten worden getrokken van de PvdA naar de VVD. Ten slotte ontbreekt in het schema de fusie in 1990 van de confessionele partijen EVP en PPR met de communistische CPN en de socialistische PSP in het niet-confessionele GroenLinks.

 
politieke_stromingen/sociaal-democratie.txt · Laatst gewijzigd: 2007/12/03 14:26 door 82.136.250.77
 
Recent changes RSS feed Powered by PHP Valid XHTML 1.0 Valid CSS Driven by DokuWiki