Politieke stromingen en ideologiën

In dit hoofdstuk zullen we een antwoord geven op de volgende vragen:

  • Wat zijn ideologieën?
  • Maken ideologieën deel uit van de politieke cultuur?
  • Wat zijn de kenmerken van ideologieën?
  • Welke ideologieën kunnen onderscheiden worden?
  • Wat zijn politieke stromingen?
  • Wat zijn de kenmerken van politieke stromingen?
  • Wat betekenen de begrippen 'links' en 'rechts' in de politiek?
  • Welke rol spelen de begrippen 'vrijheid' en 'gelijkheid' in de omschrijving van de begrippen 'links' en 'rechts'?
  • Wordt Nederland linkser of juist rechtser?
  • Wat betekenen de begrippen 'progressief' en 'conservatief' in de politiek?
  • Wat betekenen de begrippen 'confessioneel' en 'niet-confessioneel' in de politiek?
  • Wat betekenen de begrippen 'materialisme' en 'postmaterialisme' in de politiek?
  • Welke dimensie overheerst in de Nederlandse politiek?
  • Welke politieke stromingen kunnen na 1870 in de Nederlandse politiek onderscheiden worden?

Ideologie: een wezenlijk betwist begrip

Het begrip ‘ideologie’ wordt aan het eind van de achttiende eeuw ten tijde van de heerschappij van Napoleon voor het eerst gebruikt. De laatste generatie denkers uit de Franse Verlichting, de filosofen of de ideologen genoemd, gebruikten het begrip ‘ideologie’ in de betekenis van de ‘wetenschap der ideeën’. Het doel van deze Verlichtingsdenkers was onder meer het verklaren van denken en denkbeelden door middel van feitelijke waarnemingen. ‘Ideologie’ zou een empirische wetenschap der ideeën moeten zijn, die het fundament zou moeten vormen voor een rationele (her)inrichting van de maatschappij en haar instituties. Napoleon zocht aanvankelijk steun bij deze filosofen om zijn machts-basis te vergroten. Zij ontwierpen een nieuwe grondwet en een hervormingsprogramma voor het onderwijs, maar beschuldigden Napoleon na enige tijd ervan afgeweken te zijn van de idealen van de Franse Revolutie. Zij uitten eveneens kritiek op het verdrag dat Napoleon sloot met de paus. Volgens de filosofen had de rooms-katholieke kerk met haar leer de onderdrukkingspraktijken van het door de revolutie omvergeworpen Ancien Régime onderbouwd. Napoleon beschuldigde de ideologie ervan onder meer een wereldvreemde, abstracte en rationalistische wetenschap te zijn. Blijkbaar was er ten tijde van de conservatieve Restauratie behoefte aan een term, waarmee de minachting voor deze Verlichtingsdenkers aangegeven kon worden. Daarmee werd de oorspronkelijke (neutrale) betekenis van ideologie vergeten en deed een negatieve betekenis van het begrip ‘ideologie’ haar intrede in het spraakgebruik.

Volgens Marx (1818-1883) zou een ideologie niet alleen een geheel van wereldvreemde ideeën zijn, maar zouden ideologieën eveneens de belangen van de heersende klasse weerspiegelen. De heersende klasse zou door middel van een ideologie haar machtspositie verhullen en rechtvaardigen. Een ideologie is dan een geheel van valse of selectieve ideeën die de status quo van een bepaald sociaal systeem verdedigen. Marx veronderstelde dat het bewustzijn van mensen bepaald wordt door hun materiële omstandigheden (en niet andersom, zoals Hegel beweerde). Marx beschouwde al het denken dat niet uitgaat van dit zogenaamde materialisme, als ideologie. Tegenover ‘ideologie’ stelde Marx daarom ‘wetenschap’. Deze visie werd in de veertiger jaren van de twintigste eeuw overgenomen in de kritische theorie van de Frankfurter Schule.

Hoewel volgens Marx een ideologie altijd beperkt en ‘onwaar’ is, gebruikten diverse marxisten zoals Lenin en Gramsci ideologie als neutraal begrip. Volgens hen zou het proletariaat de socialistische ideologie moeten aanhangen. Zij beschouwden een ideologie als een geheel van ideeën dat kenmerkend is voor een sociale groep of klasse.

Een invloedrijke auteur is de socioloog Mannheim. Hij onderscheidde een bijzonder en een algemeen ideologiebegrip. Ideologie in de bijzondere betekenis verwijst naar een min of meer bewuste verhulling van de werkelijkheid in overeenstemming met de belangen van een bepaalde sociale groep of klasse. Marx’ ideologiebegrip valt hieronder. Ideologie in de algemene betekenis verwijst naar het gehele menselijke denken. Al het denken van mensen zou gekleurd zijn door hun maatschappelijke positie. Met andere woorden: al het denken is ideologisch. Een dergelijke definitie is echter te breed. Niet alleen alle politieke opvattingen, maar alle opvattingen zouden onder het begrip ‘ideologie’ vallen. Niettemin heeft Mannheims algemene ideologiebegrip een grote invloed gehad. In het verlengde van het algemene, neutrale ideologiebegrip wordt ideologie tegenwoordig door veel auteurs opgevat als algemeen, neutraal begrip in de betekenis van ideeënleer.

Hoewel ideologie door de meeste auteurs in de politicologie als neutraal begrip wordt beschouwd, heeft het begrip in het dagelijks spraakgebruik niet zelden een negatieve gevoelswaarde. In de negentiende eeuw werd ideologie door de meeste invloedrijke politici en denkers als een geheel van valse, wereldvreemde ideeën beschouwd (bijvoorbeeld: Napoleon, Marx). In de twintigste eeuw worden ideologieën door velen geassocieerd met de totalitaire ideologieën die de parlementaire democratie verwierpen: de fascistische en communistische ideologie. In de politicologie wordt het begrip ‘ideologie’ echter gebruikt voor ieder samenstel van ideeën, gedachten en opvattingen over de mens, over de inrichting van het leven en van de maatschappij en over hun onderlinge relaties. Ideologie wordt dan opgevat als ideeënleer. De meeste auteurs gebruiken definities zoals die van Kuypers: ‘Ideologie is een samen-hangend geheel van voorstellingen en beginselen, met behulp waarvan een persoon of groepering zijn positie en zijn beleid bepaalt en rechtvaardigt.’ Dergelijke brede definities sluiten de mogelijkheid van vals bewustzijn, of van vertekening of verdraaiing van de werkelijkheid, niet uit. Tevens wordt in het midden gelaten of een ideologie al dan niet aan een bepaalde sociale groep of klasse verbonden is. Bovendien sluit de definitie van Kuypers aan bij de meeste politicologische literatuur. De definitie van Kuypers wordt om deze redenen als uitgangspunt van dit hoofdstuk genomen.

Kenmerken van ideologieën

Een ideologie bestaat uit een geheel van politieke opvattingen en maakt dus deel uit van een politieke cultuur. Maar niet ieder geheel van (politieke) oriëntaties of opvattingen is een ideologie. Kuypers spreekt pas van een ideologie als er sprake is van een samenhangend geheel van voorstellingen en beginselen. Een ideologie verwijst binnen de politieke cultuur dus naar een min of meer consistent stelsel van politieke opvattingen. Ideologieën vertonen een relatief hoge mate van integratie van politieke oriëntaties. Dit betekent overigens niet dat alle ideologieën dezelfde mate van consistentie vertonen. Mensen identificeren zichzelf met bepaalde ideologieën. De politieke opvattingen van burgers zijn doorgaans minder consistent dan de ideologieën waarmee zij zich identificeren. Bovendien blijken de politieke opvattingen van mensen consistenter te zijn als het opleidingsniveau, de politieke kennis of de politieke betrokkenheid toeneemt. De politieke opvattingen van politici vertonen daarom een relatief hoog niveau van consistentie.

Er is sprake van een ideologie als een min of meer samenhangend, consistent geheel van politieke opvattingen aan de volgende vier kenmerken voldoet. Ten eerste presenteert een ideologie een schets van de ideale samenleving. Niet zelden wordt gedacht dat dit normatieve aspect het enige kenmerk van ideologieën is. Een schets van de ideale samenleving is echter niet voldoende om een geheel van politieke oriëntaties een ideologie te noemen. Een tweede kenmerk van ideologieën is een interpretatie van de huidige situatie. Een vergelijking van de huidige situatie met het beeld van de ideale maatschappij maakt duidelijk op welke punten de maatschappij verbeterd zou moeten worden. Het derde kenmerk van een ideologie is een ontologie: een bepaalde visie op de loop van de geschiedenis en op de positie van de mens in de geschiedenis. Een ontologie is noodzakelijk als men de maatschappij in zijn geheel of op bepaalde onderdelen wil veranderen. Ten vierde bevat een ideologie een actieprogramma, in de zin van een serie aanbevelingen voor wat op korte termijn gedaan moet worden.

In de negentiende en twintigste eeuw is een veelheid aan ideologieën ontstaan: bijvoorbeeld het liberalisme, het conservatisme, het katholicisme, het calvinisme, de christen-democratie, het communisme, het marxisme, het leninisme, het stalinisme, het maoïsme, de sociaal-democratie, het anarchisme, het nationalisme, het racisme, het fascisme, het nationaal-socialisme, het feminisme en het ecologisme. Een aantal ideologieën kan op grond van haar uitgangspunten en kenmerken tot dezelfde traditie of ‘familie’ worden gerekend. Zo worden bijvoorbeeld ideologieën als het communisme, het marxisme, het leninisme, het stalinisme, het maoïsme en de sociaal-democratie tot de socialistische ideologie gerekend.

Politieke stromingen: ideologieën in de politieke praktijk

In de rest van dit hoofdstuk en in de volgende hoofdstukken staat het gebruik van normatieve ideeën in de politieke praktijk centraal.

Ideologieën vormen de intellectuele inhoud van politieke stromingen en rechtvaardigen politiek handelen. Een politieke stroming bestaat uit mensen die zich verenigd hebben rond bepaalde politieke ideeën. Als een samenhangend geheel van politieke opvattingen aan een viertal kenmerken voldoet (zie paragraaf 2) kan van een ideologie worden gesproken. Een politieke stroming kan gedefinieerd worden als ‘een geheel van wensen en opvattingen die mensen hebben over de manier waarop ze hun toekomst gezamenlijk vorm willen geven’ (Lucardie). Het woord ‘gezamenlijk’ in deze definitie duidt erop dat er bij een politieke stroming sprake is van een bepaalde vorm van organisatie of vereniging. Dit verenigingsaspect komt niet alleen tot uitdrukking in organisaties of verenigingen met officiële statuten (zoals belangengroepen of politieke partijen), maar ook in de samenkomst van een aantal mensen die zo nu en dan in niet-officiëel verband vergaderen (bijvoorbeeld de anarchistische stroming). Politieke stromingen kunnen opgevat worden als min of meer geïnstitutionaliseerde ideologieën. Politieke stromingen belichamen het gebruik van normatieve politieke ideeën in de politieke praktijk.

Ideologieën zijn meestal bedacht en uitgewerkt door één of enkele personen. Er kan pas van een politieke stroming worden gesproken als ten eerste een groter aantal mensen zich op grond van een ideologie organiseert. Ten tweede moet er sprake zijn van een zekere continuïteit. Binnen een bepaalde politieke stroming kunnen politieke partijen ontstaan en verdwijnen, maar de politieke stroming heeft een permanenter karakter. Politieke stromingen vallen dus niet geheel samen met politieke partijen. Politieke stromingen kunnen meerdere politieke partijen bevatten. Een politieke partij zou op ieder moment opgericht of opgeheven kunnen worden. Een politieke stroming is een geheel van wensen en opvattingen die mensen hebben over de manier waarop ze hun toekomst gezamenlijk vorm willen geven. Politieke opvattingen en de daaraan ten grondslag liggende oriëntaties van mensen veranderen weliswaar, maar kunnen niet van de ene op de andere dag opgeheven worden. Sommige politieke partijen putten hun denkbeelden over de inrichting van de samenleving uit één bepaalde stroming, andere uit een combinatie van verschillende stromingen.

De links-rechts-dimensie in de politiek

De begrippen ‘links’ en ‘rechts’ worden vaak gebruikt ter aanduiding van de verschillende ideologieën, de daarop gebaseerde politieke stromingen en de daarbinnen georganiseerde politieke partijen. Als burgers in een onderzoek gevraagd worden naar de inhoud van de begrippen ‘links’ en ‘rechts’, reageren zij doorgaans nogal uiteenlopend. Toch wees onderzoek uit dat in 1968 vierenzestig procent van de respondenten zichzelf kon plaatsen op een links-rechts-schaal. In 1977 was dit percentage opgelopen tot drieëntachtig procent en in 1989 tot zevenennegentig procent van de volwassen Nederlanders. Bijna de gehele kiesgerechtigde bevolking is tegenwoordig bereid, en in staat, ten aanzien van hun eigen politieke opvattingen te denken in termen van links en rechts. De respondenten in deze onderzoeken hebben ook geen moeite met het positioneren van politieke partijen op een links-rechts-schaal. De relatieve plaatsing van de belangrijkste politieke partijen op de links-rechts-schaal is de laatste jaren nauwelijks veranderd:

SP - GroenLinks - PvdA - D66 - CDA - VVD - kleine Christelijke partijen - PVV - Extreem rechts

Hoewel in de politiek de begrippen ‘links’ en ‘rechts’ vaak gebruikt worden, is het lastig om aan te geven wat nu precies links en rechts is bij een bepaalde politieke kwestie. Om inzicht te krijgen in de betekenis van de begrippen ‘links’ en ‘rechts’ zal eerst de historische oorsprong van de begrippen worden onderzocht. Daarna worden diverse aspecten van deze begrippen onderscheiden.

Volgens sommige auteurs vindt het gebruik van de begrippen ‘links’ en ‘rechts’ in de politiek zijn oorsprong in het Engelse parlement in de zeventiende eeuw. In het Engelse parlement zat de regeringspartij rechts en de oppositiepartij links van de voorzitter. Rechts wordt dan geassocieerd met regeren, links met oppositie voeren. Volgens andere auteurs ligt de oorsprong van de begrippen ‘links’ en ‘rechts’ in de bijeenkomst van de drie standen (adel, geestelijkheid en derde stand) in het Franse parlement tijdens de Franse Revolutie in 1789. Links van de voorzitter zaten de burgers uit de derde stand die politieke veranderingen voorstonden. Rechts van de voorzitter zat de adel en de geestelijkheid die weinig of geen politieke veranderingen wilden. Links wordt dan geassocieerd met progressiviteit en verandering, terwijl rechts op conservatisme en behoud van de bestaande politieke orde duidt.

De politieke stromingen van het liberalisme en het socialisme kunnen ondanks hun verschillen beiden worden beschouwd als erfgenamen van de Verlichting en van de Franse Revolutie. De Verlichtingsfilosofen kenden een belangrijke plaats toe aan de waarden vrijheid en gelijkheid. Zowel het liberalisme als het socialisme keerden zich tegen de ongelijkheid van de standenmaatschappij en tegen de onderwerping aan de regels en privileges van vorst en kerk. Het liberalisme en het socialisme keerden zich daarmee tevens tegen de politieke stroming van het conservatisme, die bestaande ongelijkheden als door God bepaald beschouwde en die een belangrijke plaats toekende aan religie in de samenleving. Het conservatisme wilde de voorrechten van de koning, de adel en de staatskerk handhaven. Ook tegenwoordig zijn de begrippen ‘vrijheid’ en ‘gelijkheid’ nog van groot belang. Als men de begrippen ‘links’ en ‘rechts’ wil definiëren in termen van vrijheid en gelijkheid, dient volgens politicoloog Middendorp onderscheid gemaakt te worden tussen economische en niet-economische aspecten.

In economisch opzicht heeft links de betekenis van het benadrukken van de waarde ‘gelijkheid’. Links kant zich volledig of gedeeltelijk tegen een vrijemarkteconomie die tot te grote materiële ongelijkheden zou leiden. Het begrip ‘links’ wordt dan ook geassocieerd met het volledig of gedeeltelijk afwijzen van economische vrijheid. Vanuit het idee van de gelijkwaardigheid van mensen krijgt (een bepaalde mate van) economische gelijkheid positieve aandacht. Links benadrukt de waarde van (een bepaalde mate van) materiële gelijkheid en keert zich (in een bepaalde mate) tegen ongelijkheden tussen mensen in onder meer bezit, inkomen, macht, zeggenschap over de productiemiddelen, en ontplooiingskansen. Links legt daarmee de nadruk op de collectiviteit van een samenleving (collectivistische benadering). In economisch opzicht heeft rechts de betekenis van het benadrukken van de waarde ‘vrijheid’. Rechts pleit voor een volledige of gedeeltelijke vrijemarkteconomie die ten opzichte van andere economische systemen zowel efficiënter zou zijn als een hoger welvaartsniveau zou opleveren. Rechts wordt dan ook geassocieerd met (een bepaalde mate van) economische vrijheid voor individuen. Rechts legt daarmee de nadruk op de (rechten en vrijheden van) individuen in een samenleving (individualistische benadering). Vanuit het idee van het bestaan van capaciteitsverschillen tussen mensen wordt (een bepaalde mate van) materiële ongelijkheid onvermijdelijk geacht. Volgens een aantal politicologen worden de begrippen ‘links’ en ‘rechts’ in de twintigste eeuw vooral in hun economische betekenis gebruikt.

In niet-economisch opzicht heeft links de betekenis van het benadrukken van de waarde ‘vrijheid’. In democratische systemen kan links geassocieerd worden met de vrijheid om niet gehinderd door tradities, moraal of zedelijke deugden te leven. In niet-economisch opzicht heeft rechts de betekenis van het beperken van de waarde ‘vrijheid’. De politieke stroming van het liberalisme, dat in economisch opzicht rechts genoemd kan worden, legt tevens de nadruk op (een bepaalde mate van) politieke en culturele vrijheid. Maar conservatieve en confessionele (religieuze) politieke stromingen leggen doorgaans inderdaad een sterkere nadruk op tradities, moraal en zedelijke deugden.

Op basis van empirisch onderzoeksmateriaal van het Sociaal en Cultureel Planbureau zou volgens Middendorp ‘het ideologisch klimaat’ van de jaren zestig verschillen vertonen met dat van de jaren tachtig. Middendorp neemt een rechtse trend in economisch opzicht waar. In de ontwikkeling van politieke opvattingen is er sprake van steeds minder steun voor egaliserend (= ‘gelijkmakend’) overheidsoptreden en steeds meer steun voor een grotere rol voor de vrije markt in de samenleving. Tegelijkertijd registreert Middendorp een linkse trend in niet-economisch opzicht. Het streven naar individuele vrijheid op sociaal-cultureel gebied krijgt steeds meer aanhang, bijvoorbeeld ten aanzien van man-vrouw-rollen en gezagsrelaties. Middendorp spreekt niet over een linkse trend, maar duidt deze ontwikkeling aan als het verval van traditionele waarden. Een aantal sociale wetenschappers ziet in deze ontwikkeling de overwinning van het moderne liberalisme. Het moderne liberalisme wordt inderdaad gekenmerkt door zowel het benadrukken van economische als niet-economische vrijheden. Sceptici wijzen er echter op dat het liberalisme, evenals de moderne sociaal-democratie en christen-democratie, een bepaalde mate van staatsingrijpen voorstaat, bijvoor-beeld om (semi-)publieke goederen tot stand te brengen of om bepaalde materiële ongelijkheden in te dammen. Het moderne liberalisme zou, grof gezegd, van oorsprong linkse elementen in zijn ideologie gebracht hebben. Aan de andere kant heeft de moderne sociaal-democratie van oorsprong rechtse elementen in haar ideologie geïncorporeerd door het, binnen bepaalde grenzen van staatsingrijpen, erkennen van het efficiënte reguleringsmechanisme van de vrije markt. De christen-democratie bevindt zich in termen van links en rechts tussen het liberalisme en de sociaal-democratie. Sommigen menen dan ook dat men onder meer om deze redenen net zo goed kan spreken van de zege van de sociaal-democratie of van de christen-democratie.

Het onderscheid tussen de begrippen ‘links’ en ‘rechts’ is erg globaal. Deze begrippen krijgen pas een specifieke betekenis in politieke discussies. De omschrijving van de termen ‘links’ en ‘rechts’ varieert daarom naar tijd, plaats en onderwerp. Ter indeling of categorisering van ideologieën, politieke stromingen, politieke partijen, politieke oriëntaties en opvattingen worden daarom niet alleen de begrippen ‘links’ en ‘rechts’ gebruikt. De links-rechts-dimensie is niet de enige dimensie in de politiek. Naast of in plaats van het onderscheid tussen links en rechts wordt onderscheid gemaakt tussen progressiviteit en conservatisme, confessioneel en niet-confessioneel, en tussen materialisme en postmaterialisme. Deze indelingen lopen op de een of andere manier door of langs de links-rechts-verdeling.

Andere dimensies in de politiek

De tegenstelling tussen progressief (veranderingsgezind) en conservatief (behoudend) wordt veel gehanteerd. De begrippen ‘progressief’ en ‘conservatief’ corresponderen traditioneel met de begrippen ‘links’ en ‘rechts’, denk aan het achttiende-eeuwse Franse parlement. In het verlengde van deze oorspronkelijke betekenis van de begrippen ‘links’ en ‘rechts’ kunnen in alle partijen zogeheten linker- en rechtervleugels onderscheiden worden, die als etiketten fungeren om opvattingen over (de snelheid van) veranderingen mee aan te geven. Zo kan bijvoorbeeld binnen een linkse partij een rechtervleugel onderscheiden worden, die minder snelle veranderingen wil dan andere partijleden. Volgens Middendorp verwijst het begrip ‘progressiviteit’ naar vrijheid op niet-economisch gebied en naar beperking van economische vrijheid. Anders geformuleerd: progressiviteit verwijst naar vrijzinnige waarden en naar beperking van individuele economische vrijheid ten bate van (meer) economische gelijkheid tussen individuen. Conservatisme verwijst naar beperking van niet-economische vrijheid en naar vrijheid op economisch terrein. Anders geformuleerd: conservatisme verwijst naar traditionele waarden en naar individuele economische vrijheid. Samengevat: op theoretisch niveau verwijst het begrip ‘progressief’ naar de combinatie van linkse economische en niet-economische waarden, en verwijst het begrip ‘conservatief’ naar de combinatie van rechtse economische en niet-economische waarden. Op theoretisch niveau valt de links-rechts-dimensie samen met de dimensie progressief-conservatief. In empirisch onderzoek naar de politieke opvattingen van burgers worden dikwijls combinaties aangetroffen van linkse economische en rechtse niet-economische opvattingen, of van rechtse economische en linkse niet-economische opvattingen. Op empirisch niveau valt de links-rechts-dimensie dus niet samen met de dimensie progressief-conservatief.

Een ander onderscheid is de tegenstelling tussen confessioneel en niet-confessioneel. Confessionalisme betreft de opvatting dat een bepaalde geloofsovertuiging zowel in het persoonlijke leven als in de samenleving vooropgesteld dient te worden. Het bestaan van christelijke politieke partijen en katholieke scholen is een uitdrukking van confessionalisme.

In de schoolstrijd (over de vraag of katholieke en protestantse scholen door de staat gefinancieerd zouden moeten worden) eind negentiende, begin twintigste eeuw stonden confessionelen en conservatieven (voorstanders van staatsfinanciering van bijzonder onderwijs) tegenover de liberalen en socialisten (tegenstanders van staatsfinanciering van bijzonder onderwijs). De eersten werden soms rechts, de laatsten links genoemd. Rechts had hier de betekenis van confessioneel, links van niet-confessioneel. De tegenstelling tussen confessioneel en niet-confessioneel is niet gelijk aan de tegenstelling rechts-links. Er bestaan zowel confessionele (CDA) als niet-confessionele (VVD) rechtse partijen. Een enkele keer heeft Nederland een linkse partij met confessionele uitgangspunten gehad: de EVP (Evangelische Volkspartij) en de PPR (Politieke Partij Radikalen), die beide in 1990 zijn opgegaan in het niet-confessionele GroenLinks. Confessionele partijen weten een relatief klein percentage niet-confessionele kiezers te trekken. Zowel het CDA als klein rechts zijn zeer populair onder confessionalisten. In 1989 was 12% van de CDA-kiezers niet-confessioneel. VVD, D66 en GroenLinks trekken relatief veel niet-confessionele kiezers. Hoewel confessionele kiezers vaker rechts stemmen, stemt een relatief klein percentage op linkse partijen. De confessionalisme-dimensie beweegt zich dus anders dan de links-rechts-tegenstelling. Uit kiezersonderzoek in de periode 1977-1989 is gebleken dat er sprake is van een zeer bescheiden afname van de confessionele houding onder de bevolking. Er kan dus onmogelijk gesproken worden van een sterke deconfessionalisering.

In het dagelijks spraakgebruik heeft het begrip ‘materialisme’ een negatieve betekenis. Volgens Van Dale’s woordenboek is een materialist iemand ‘die alleen zijn geluk zoekt in laag genot’ of ‘die vooral gehecht is aan stoffelijke zaken’. In de politicologie kent het begrip ‘materialisme’ grofweg twee betekenissen. Ten eerste verwijst materialisme in de politieke theorie naar de leer dat het bewustzijn van mensen bepaald wordt door hun materiële omstandigheden (zie het ideologiebegrip van Marx, paragraaf 1). Ten tweede wordt materialisme als neutraal begrip gereserveerd voor die waarden, waarin een relatief groot gewicht wordt toegekend aan waarden als veiligheid en welvaart. Deze laatste betekenis staat centraal in de tegenstelling materialisme-postmaterialisme. Postmaterialisme verwijst dan naar waarden als zelfontplooiing, democratisering of milieubewustzijn. Postmaterialistische waarden worden nogal eens in verband gebracht met het begrip ‘links’, materialistische waarden met het begrip ‘rechts’. Toch dient een dergelijke vergelijking genuanceerd te worden. De traditionele ideologieën, zoals het conservatisme, het liberalisme, het socialisme, het calvinisme en het katholicisme, legden aanvankelijk allemáál sterk de nadruk op materiële waarden. De tegenwoordige liberale, socialistische en confessionele stromingen besteden allen aandacht aan postmaterialistische waarden. Het eerste moment waarop, de manier waarop en de mate waarin aandacht wordt besteed aan postmaterialistische waarden, verschilt echter per politieke stroming. Links besteedde eerder (vanaf halverwege de jaren zestig), met vaker niet-religieuze argumenten en in sterkere mate dan rechts aandacht aan postmaterialistische waarden. Naast de ‘verrechtsing’ van Nederland op economisch gebied, lijkt de al dan niet vermeende ‘verlinksing’ of het afnemende traditionalisme van Nederland op niet-economisch gebied in overeenstemming met onderzoek naar veranderingen in (post)materialistische waarden bij individuen. In de jaren tachtig stijgt het aantal materialisten binnen elke generatie. Maar in de jaren negentig blijkt het aantal materialisten te dalen en stijgt het aantal postmaterialisten.

Materialisten (nogmaals: in de neutrale, politicologische betekenis) stemmen relatief vaak op de VVD en de kleine rechtse partijen. Postmaterialisten geven hun stem vooral aan PvdA, D66 en GroenLinks. Niettemin blijken PvdA en D66 een aanzienlijk deel van de materialisten aan zich te binden. Het CDA is populairder onder materialisten dan onder gematigd materialisten. De partijkeus varieert dus nogal onder materialisten. Hetzelfde geldt voor postmaterialisten. Het onderscheid tussen materialisten en postmaterialisten betreft een nieuwe dimensie in de politiek die (nog) niet tot uitdrukking komt in de tegenstellingen tussen links en rechts of confessioneel en niet-confessioneel.

Het is gebruikelijk de liberale, conservatieve en confessionele ideologieën en de daarmee corresponderende politieke stromingen en partijen als rechts aan te duiden. De socialistische, sociaal-democratische en communistische ideologieën en de daarmee corresponderende politieke stromingen en partijen worden doorgaans als links aangeduid.


Terug naar de cursusindex

 
politieke_stromingen/politieke_stromingen_en_ideologien.txt · Laatst gewijzigd: 2008/01/02 16:35 door 85.148.244.126
 
Recent changes RSS feed Powered by PHP Valid XHTML 1.0 Valid CSS Driven by DokuWiki