Liberalisme

In het vorige hoofdstuk stonden ideologieën en daarop gebaseerde politieke stromingen centraal. Een aantal ideologieën kan op grond van haar uitgangspunten en kenmerken tot dezelfde ideologische traditie gerekend worden. Vervolgens werd aandacht besteed aan het gebruik van normatieve ideeën in de politieke praktijk.

In dit hoofdstuk wordt de ideologische traditie van het liberalisme behandeld. De nadruk zal liggen op de relatie tussen de ontwikkeling van liberale ideeën (theorie) en de vorming van liberale partijen (praktijk). Dit hoofdstuk beziet welke ideologische ontwikkelingen binnen de liberale politieke stroming(en) leidden tot veranderingen binnen bestaande liberale partijen of tot de oprichting van nieuwe liberale partijen.

In dit hoofdstuk zullen we een antwoord geven op de volgende vragen:

  • Bestaat er zoiets als hét liberalisme?
  • Welke politieke filosofen en economen worden tot de grondleggers van het liberalisme gerekend?
  • Welke theorieën hebben deze politieke filosofen en economen ontwikkeld en wat hebben zij gemeenschappelijk?
  • Wat wordt verstaan onder het klassieke liberalisme?
  • Wat was de politieke situatie in Nederland ten tijde van het ontstaan van de liberale stroming?
  • Waarom noemden de eerste liberalen zich 'constitutionelen'?
  • Welke periode wordt in Nederland de bloeitijd van het klassieke liberalisme genoemd en waarom?
  • Wat was de eerste Nederlandse liberale partij? Welke drie liberale stromingen kunnen rond 1900 in Nederland worden onderscheiden?
  • Welke visie had elk van deze stromingen ten aanzien van de kiesrechtkwestie en de sociale kwestie in relatie tot staatsingrijpen?
  • Welke visie had elk van deze liberale stromingen ten aanzien van de schoolstrijd?
  • Welke liberale partijen vertegenwoordigden deze verschillende liberale stromingen?
  • Welk compromis werd bereikt met de zogenaamde Pacificatie in 1917?
  • Welke twee liberale stromingen kent Nederland vanaf het tweede kwart van de twintigste eeuw?
  • Welke twee partijen vertegenwoordigen deze twee liberale stromingen?
  • Waarom is de conservatieve klassiek-liberale stroming grotendeels verdwenen?
  • Spelen klassiek-liberale opvattingen over staatsonthouding nog een rol in de huidige liberale stromingen en partijen?
  • Welke ontwikkeling maakte de VVD door in termen van staatsingrijpen en volksliberalisme?
  • Welke ontwikkeling maakte D66 door in termen van ideologieën en bestuurlijke, staatkundige en politieke vernieuwing?

De ontwikkeling van liberale ideeën

In het vorige hoofdstuk werd vastgesteld dat het liberalisme – evenals het socialisme – verwijst naar een politieke stroming die de idealen van de Franse Revolutie verdedigt, te weten vrijheid en gelijkheid. In het liberalisme staat het individu centraal. Alle individuen in een samen­leving zouden gelijke rechten en vrijheden moeten hebben. Om te voorkomen dat deze rechten en vrijheden van individuen door de overheid aangetast worden, zou geen enkele staatsorgaan onbeperkte macht mogen hebben. Daarom zou een machtenscheiding moeten worden doorgevoerd tussen wetgevende, uitvoerende en recht­sprekende staatsorganen. Naast culturele en geestelijke vrijheid legt het liberalisme de nadruk op economische vrijheid.

Hoewel diverse denkers uit de achttiende eeuw grote invloed hebben gehad op het liberalisme, werd de term ‘liberalen’ pas begin negentiende eeuw voor het eerst gebruikt. Als gesproken wordt over hét liberalisme, duidt men doorgaans de ideologische traditie van een aantal denkers aan die een geheel van theoretische en normatieve uitgangspunten gemeenschappelijk heeft. Dit moet echter geenszins de indruk wekken dat er zoiets als ‘één blauwdruk van hét liberalisme’ bestaat. Wel hebben al deze denkers een aantal gemeenschappelijk uitgangspunten, die op verschillende manieren geïnterpreteerd en uitgewerkt worden. Er bestaan dan ook wel degelijk meningsverschillen tussen liberale filosofen en tussen mensen die zich als liberaal beschouwen. In deze paragraaf wordt vooral gekeken naar de gemeenschappelijke elementen van de verschillende liberale politieke ideeën. Bovendien zal in deze paragraaf de kern van het klassieke liberalisme worden aangewezen.

Een aantal politieke filosofen wordt tot de grondleggers van het liberalisme gerekend: Locke, Montesquieu, Rousseau, Smith, Bentham, Mill, Rawls en Nozick. Hierna zijn deze grondleggers van het liberalisme op een rijtje gezet.

Locke (1632-1704) was een tegenstander van onbeperkte macht van de koning. Locke verwierp weliswaar niet de monarchie, maar probeerde door middel van een gedachtenexperiment aan te tonen dat elk gezag berust op een overeenkomst (maatschappelijk verdrag) tussen vrije mensen. Volgens deze verdragstheorie hebben burgers recht op verzet als de monarch hun onvervreemdbare individuele rechten naar willekeur schendt. De verdediging van onvervreemdbare individuele rechten als basis voor staatsgezag maakt deel uit van het klassiek-liberale gedachtengoed.

Montesquieu (1689-1755) keerde zich eveneens tegen de machtswillekeur van koning, adel en kerk. Volgens de driemachtenleer van Montesquieu zou de individuele rechtszekerheid en vrijheid gegarandeerd moeten worden door een in de grondwet vastgelegde machtenscheiding.

Rousseau (1712-1778) ging als typische Verlichtingsfilosoof uit van de maakbaarheid van de samenleving. Deze visie ligt ten grondslag aan de zowel door liberalen als socialisten gedragen assumptie van geestelijke en materiële (economische) vooruitgang. De verdediging van Rousseau van de principes van democratie en volkssoevereiniteit (door middel van een theorie van het maatschappelijk verdrag) behoren tot de basis van zowel het liberalisme als het socialisme. Rousseau heeft met zijn idee van een ondeelbare volkswil echter ook intellectuele voeding gegeven aan totalitaire politieke stromingen en ideologieën.

Adam Smith (1723-1780) geldt als een van de grote vertegenwoordigers van het economisch liberalisme. National Galleries of Scotland, Edinburgh

Smith (1723-1790) pleitte vooral voor economische vrijheid. Smith verdedigde het marktmechanisme, waar winst de drijfveer voor economisch handelen is. In de achttiende eeuw beschouwden filosofen en predikanten concurrentie tussen verkopers en onderhandelingen tussen koper en verkoper als noodzakelijk kwaad, dat door overheid en gilden beteugeld zou moeten worden. Volgens de zogenaamde politieke economen als Smith en Ricardo (1772-1823) ontstaat in een vrijemarkt-economie daarentegen een optimale en efficiënte afstemming tussen vraag en aanbod. Smith noemde deze afstemming ‘de onzichtbare hand’ van het marktmechanisme. Door de werking van dit mechanisme zouden overheid of gilden zich niet mogen bemoeien met prijzen, lonen, geldkoersen of arbeidsomstandigheden. Hoewel economische vrijheid van mensen leidt tot onvermijdelijke individuele economische ongelijkheden, zou in een vrije markt niet alleen een optimale afstemming ontstaan tussen vraag en aanbod, maar ook een welvaartsstijging voor de hele bevolking plaatsvinden. Door onderlinge concurrentie en arbeidsverdeling zouden producten immers steeds beter en goedkoper worden. Een kapitalistisch stelsel zou volgens Smith dus zowel efficiënter als welvarender zijn dan het gildenstelsel of een door de staat gereguleerde economie.

De staat zou als een soort nachtwaker de economische spelregels van de vrije markt moeten beschermen. De eerste taak van de staat is volgens Smith het optreden tegen coalitievorming tussen ondernemers en tussen arbeiders. Coalitievorming tussen ondernemers zou immers leiden tot monopolievorming en prijsopdrijving van producten. Coalitievorming tussen arbeiders zou leiden tot de oprichting van vakbonden, die door (dreiging met) stakingen de lonen kunstmatig omhoog zouden (kunnen) duwen. Dergelijke samenwerking tussen ondernemers of tussen arbeiders verstoort de werking van de vrije markt en zou daarom door de staat tegengegaan moeten worden. De tweede taak van de staat betreft volgens Smith het door middel van een defensie beschermen van het particulier eigendom en de persoonlijke veiligheid van burgers. Smith erkende echter dat sommige collectieve inspanningen in een vrije markt niet tot stand komen. Voor sommige collectieve (of: publieke) goederen, zoals defensie, is de winst voor een (groep) individu(en) immers nooit groter dan de kosten om deze goederen tot stand te brengen. De (minimale) staat zou daarom de rol van nachtwaker moeten vervullen en belasting moeten heffen om deze collectieve goederen te bekostigen. De derde staatstaak zou de rechtspraak betreffen.
De verdediging van Smith van de economische vrijheden in termen van welvaart en efficiëntie maken deel uit van de kern van het klassieke liberalisme.

Jeremy Bentham (foto: Wikipedia) ’Preserved body‘ van Jeremy Bentham in het University College te London. Deze Engelse filosoof legde begin 19de eeuw de basis voor een theorie van het liberalisme waarin zowel de individuele, als de economische vrijheid gewaarborgd zou zijn.
Bentham (1748-1832) ontwikkelde de theorie van het utilitarisme. Het utilitarisme pleit voor het grootste geluk voor het grootste aantal mensen. De utilitaristen bouwen onder meer voort op het van Locke afkomstige idee dat mensen streven naar geluk: ‘the pursuit of happiness’. In tegenstelling tot Locke’s concept van individuele rechten, zouden volgens het utilitarisme de rechten en vrijheden van een aantal burgers opgeofferd kunnen worden om een zo groot mogelijk totaal nut te bereiken. Vrijwel alle liberale denkers beschouwen individuele rechten echter als onvervreemdbaar en verwerpen daarom het utilitarisme. Niettemin wordt Bentham als een belangrijke liberale denker beschouwd. Ten eerste omdat volgens Bentham mensen elkaar zoveel mogelijk vrij zouden moeten laten om hun geluk te ontdekken: niemand zou immers kunnen weten wat een ander gelukkig maakt. En ten tweede omdat wetten volgens Bentham zouden moeten bevorderen dat individuen zoveel mogelijk rekening houden met het welzijn van anderen.

Mill (1806-1873), eveneens een utilitarist, pleitte voor democratische rechten en individuele vrijheden omdat deze nuttig zouden zijn voor de samenleving. Mill wordt als liberale denker beschouwd door zijn nadruk op individuele vrijheidsrechten. Vanuit deze rechten en vrijheden verdedigde Mill ten eerste het algemeen kiesrecht voor mannen en vrouwen, hoewel hoger opgeleiden meer dan één stem zouden moeten krijgen. Ten tweede verdedigde Mill vrijheid van meningsuiting.

Rawls (1921- ) en Nozick (1938- ) kiezen in navolging van klassieke contracttheoretici als Locke principieel voor de staatsbescherming van onvervreemdbare persoonlijke en politieke vrijheden. Daarnaast besteedt Rawls aandacht aan het mogelijke positieve effect van een ongelijke inkomensverdeling. Rawls geeft met zijn rechtvaardigheidstheorie een filosofische handreiking aan de meeste huidige liberalen, die een gedeeltelijke inkomensherverdeling door de staat rechtvaardig achten. Volgens Nozick zou een staat daarentegen een nachtwakersstaat moeten zijn. Inkomensherverdeling en belastingheffing zouden volgens hem een inbreuk vormen op het individuele eigendomsrecht. Hoewel Rawls’ rechtvaardigheidstheorie meer aanhangers heeft dan die van Nozick, zijn beiden waarschijnlijk de meest invloedrijke liberale politieke filosofen van de twintigste eeuw.

Het gemeenschappelijke uitgangspunt van bovenstaande filosofen en economen en daarmee de kern van het liberalisme wordt gevormd door de nadruk op individuele rechten en vrijheden (recht op leven, vrijheid en eigendom). Economische vrijheid van mensen leidt tot economische ongelijkheden tussen individuen. Met name Rousseau en Bentham besteden echter weinig aandacht aan individuele vrijheidsrechten. Maar door hun aandacht voor de democratische rechten (Rousseau) en het welzijn (Bentham) van het volk, hebben zij het liberale gedachtengoed wel degelijk beïnvloed.
Hoewel allen een deel van het liberalisme hebben vormgegeven, kunnen nogal wat verschillen worden aangewezen tussen bovenstaande filosofen en economen. We noemen er enkele. Montesquieu en Locke verdedigen de monarchie, weliswaar onder verschillende voorwaarden (respectievelijk machtenscheiding en de bescherming van individuele rechten). Alle liberale denkers vanaf Rousseau verwerpen echter de monarchie. Hoewel de meeste liberale filosofen een duidelijk herkenbaar min of meer pessimistisch mensbeeld hebben (zoals Locke, Smith, Rawls, Nozick), heeft Rousseau een optimistisch mensbeeld. Maar ook al zou de mens primair gericht zijn op zijn eigenbelang, toch beschouwen zij de mens als een in aanleg redelijk wezen. Terwijl Smith, Ricardo en Nozick herverdeling en staatsingrijpen in de economie verwerpen, acht Rawls dit gerechtvaardigd onder de voorwaarde dat de armsten er ook maar iets op vooruitgaan. Bovendien zochten bovenstaande denkers antwoorden op verschillende vragen. Bijvoorbeeld Locke probeerde een antwoord te vinden op de vraag waarop gezag behoort te berusten, terwijl Smith een antwoord zocht op de vraag wat het meest efficiënte en welvarendste economische systeem zou zijn.
Dergelijke vergelijkingen suggereren echter dat de politieke ideeën van al deze politieke filosofen en economen een even groot deel uitmaken van het liberale gedachtengoed. Dit is echter niet het geval. Politicoloog Lucardie merkt op dat de theorieën van Locke (onvervreemdbare individuele rechten), Montesquieu (machtenscheiding) en Smith (vrijemarkteconomie en minimale staat) de kern vormen van wat nu het klassieke liberalisme genoemd wordt.

De relatie tussen de ontwikkeling van liberale ideeën en de vorming van liberale partijen in Nederland

De relatie tussen de ontwikkeling van liberale ideeën en de vorming van liberale partijen in Nederland komt op twee manieren tot uiting. Ten eerste leidt de ontwikkeling van liberale ideeën tot de oprichting van (nieuwe) liberale partijen of tot afsplitsingen van bestaande liberale partijen. Ten tweede vindt een ontwikkeling van liberale ideeën plaats binnen de liberale politieke partijen.

In deze paragraaf staat een tekstbijdrage centraal. Deze tekstbijdrage is een deel van paragraaf 2.1 ‘De liberale partijen’ uit het hoofdstuk ‘Politieke partijen’ van R.A. Koole. Het hoofdstuk is afkomstig uit de in 1986 verschenen uitgave Compendium voor politiek en samenleving, onder redactie van H. Daalder en C.J.M. Schuyt. De tekst geeft een globale schets van de ontwikkeling van de liberale partijen in Nederland vanaf 1848. De tekstbijdrage zal op twee punten worden aangevuld. Ten eerste zal, voorafgaand aan de tekstbijdrage, het ontstaan van de liberale politieke stroming vóór 1848 besproken worden. Tevens zal de zogenaamde bloeitijd van het klassieke liberalisme tussen 1848-1872 behandeld worden. Ten tweede zal na de tekstbijdrage op een aantal punten de relatie tussen de ontwikkeling van liberale ideeën en de vorming van liberale partijen verduidelijkt worden.

Het ontstaan van de liberale stroming en de bloeitijd van het klassieke liberalisme

Thorbecke (foto: Wikipedia) De liberale stroming ontwikkelde zich in de eerste helft van de negentiende eeuw. De liberale oppositie ten tijde van koning Willem I wenste een hervorming van het staatsbestel en meer politieke vrijheid. Deze oppositie bestond uit ‘welgestelde brave burgers’ (Lucardie, 1993, blz. 30), die op wettige wijze hervormingen wilden bewerkstelligen. Deze eerste liberalen wensten een nieuwe grondwet en noemden zichzelf daarom ‘constitutionelen’. In 1840, na de afscheiding van België, volgde koning Willem II zijn vader op. In 1848 braken revoluties en oproer uit in Frankrijk, Duitsland en Oostenrijk. Hoewel in Nederland slechts kleine relletjes plaatsvonden, nodigde koning Willem II de liberale voorman Thorbecke uit om een nieuwe grondwet te ontwerpen.
Koning Willem II hoopte op deze wijze massale opstanden in Nederland te kunnen voorkomen. Dat de koning deze opstanden vreesde, blijkt uit het feit dat hij niet luisterde naar de toen nog conservatieve meerderheid in de Staten-Generaal die een nieuwe grondwet overbodig achtte. De periode 1848-1872 wordt beschouwd als de bloeitijd van het klassieke liberalisme. Het klassieke liberalisme benadrukt het belang van in de grondwet vastgelegde politieke en individuele vrijheidsrechten (zie paragraaf 1). In 1848 werd de nieuwe grondwet ingevoerd, die voor een belangrijk deel aansloot bij de ideeën van Thorbecke.

Het ontstaan en de ontwikkeling van liberale partijen in Nederland

In de volgende tekstbijdrage komt een verwijzing voor naar een paragraaf 2.4. Deze verwijzing heeft betrekking op het boek waar de tekstbijdrage uit afkomstig is. U kunt deze verwijzing daarom negeren.

2.1 De liberale partijen

De invoering van het parlementaire stelsel en het systeem voor rechtstreekse verkiezingen voor de Tweede Kamer (1848) was grotendeels het resultaat van de inspanningen van een groep liberalen rond de hoogleraar J.R. Thorbecke.
In de tweede helft van de negentiende eeuw hebben de liberalen een belangrijk stempel gedrukt op de parlementaire geschiedenis van Nederland. Over een hechte partijorganisatie hebben zij nooit beschikt, ook niet nadat vanuit de zogenaamde emancipatiebewegingen wel partijen van een andere signatuur waren ontstaan. Het opkomen van deze bewegingen en de - overigens langzame - toename van het electoraat leidde in 1885 tot de oprichting van het eerste liberale samenwerkingsverband op landelijk niveau: de Liberale Unie (LU). Deze Unie herbergde binnen haar gelederen een waaier van politieke opvattingen, verband houdende met de verschillende visies op de mate van gewenst overheidsingrijpen bij met name onderwijs- en sociale kwesties. De eenheid hield daarom ook niet lang stand. De discussie rondom de kiesrechtuitbreiding werkte vaak als katalysator in het proces van desintegratie. In 1892 scheidde een groep progressieve liberalen zich van de Unie af en vormde de Radicale Bond. Ter rechterzijde verlieten in de jaren daarna de conservatieve liberalen de Unie. Zij verenigden zich in 1906 in de Bond van Vrij-Liberalen. De Radicale Bond was inmiddels versterkt met nog een groep hervormingsgezinde liberalen, die in 1901 de Unie had verlaten; deze fusie leidde tot de oprichting in dat jaar van de Vrijzinnig-Democratische Bond (VDB).
Aldus bestonden aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog drie liberale partijorganisaties: de progressieve VDB, de conservatieve Vrije Liberalen en de resterende Liberale Unie, die een middenpositie innam.

Na de Eerste Wereldoorlog vond een nieuwe heroriëntatie plaats binnen de liberale gelederen. De invoering in 1917 van het stelsel van evenredige vertegenwoordiging binnen één groot district (Nederland) en van het algemeen kiesrecht, noopte de liberale partijen hun organisatie aan te passen en leidde bovendien in eerste instantie tot het ontstaan van vele splinterpartijtjes, waaronder de Economische Bond van mr. M.W.F. Treub. In 1921 verenigden deze Economische Bond, de Liberale Unie, de Vrije Liberalen en nog enkele kleine partijtjes zich in de Vrijheidsbond. De term liberaal was voor deze groepering gereserveerd en werd steeds meer tot een synoniem voor conservatief. De VDB wenste zich hier niet mee te vereenzelvigen. Een gezamenlijke aanduiding voor de VDB en de Vrijheidsbond, die zich vanaf het eind van de jaren twintig ook de Liberale Staatspartij (LSP) noemde - in 1938 werd dit de enige officiële naam - vindt men daarom beter in de term vrijzinnigen. De vrijzinnigen hadden bij de eerste verkiezingen na de invoering van het algemeen kiesrecht voor mannen (1918 - in 1922 ook voor vrouwen) gevoelige verliezen geleden. Hun eens dominante positie in het parlement raakten zij voorgoed kwijt. Na deze electorale aardverschuiving wist de VDB in het interbellum zijn aanhang vast te houden. De LSP daarentegen behaalde een steeds geringer aantal kamerzetels.

Na de Tweede Wereldoorlog vond de zogenaamde doorbraakpoging plaats, waarbij geprobeerd werd tot een partijpolitieke hergroepering door te komen dwars door de zuilen heen. De VDB fuseerde in 1946 met de vooroorlogse CDU en SDAP tot de PvdA (zie paragraaf 2.4).
De LSP bleef buiten de pogingen tot hergroepering, maar vernieuwde zichzelf. In 1946 ging zij over in de Partij van de Vrijheid (PvdV), waartoe de industrieel mr. D.U. Stikker het initiatief had genomen. Op haar beurt fuseerde de PvdV in 1948 met de Groep-Oud. De voormalige VDB-er en minister van financiën mr. P.J. Oud was in 1946 na enige aarzeling toegetreden tot de PvdA. Hij voelde zich er niet echt thuis en verliet, met enkele andere meer behoudende voormalige vrijzinnig-democraten, deze partij weer in 1947. Na enige maanden van onderhandelen met de PvdV van Stikker werd in januari 1948 de Volkspartij voor Vrijheid en Democratie opgericht (VVD). Tot circa 1970 bleef de VVD qua grootte een middenpartij: 8 à 10% van de stemmen, met een uitschieter van ruim 12% in 1959. Onder leiding van H. Wiegel wist de partij zich in de jaren zeventig omhoog te werken tot één van de grotere partijen, zodat wel gesproken werd van de tweede jeugd van het liberalisme.

In 1966 werd de partij Democraten '66 opgericht. Aanvankelijk wees deze partij onder leiding van mr. H.A.F.M.O. van Mierlo iedere klassieke ideologische fundering van politiek handelen af en wilde zij pragmatisch te werk gaan. Na een crisisperiode rond 1974, waarin bijna tot opheffing van de partij besloten werd, probeerde zij zich onder leiding van dr. J.C. Terlouw tot redelijk alternatief en tot vierde stroming te ontwikkelen. Na die periode gingen vele D66-ers zich aanduiden met etiketten als progressief-liberaal, links-liberaal of vrijzinnig-democraat. Volgens sommigen moet D66 dan ook gezien worden als de ideologische erfgenaam van de vooroorlogse VDB, hoewel van een organisatorische afstamming geen sprake is.
Bron: R.A. Koole, ‘Politieke partijen’, in: H. Daalder en C.J.M. Schuyt, Compendium voor politiek en samenleving in Nederland, Alphen a/d Rijn, Samsom, 1986.

Toelichting bij de tekstbijdrage
Op grond van verschillende politieke opvattingen ontstond een progressieve, een gematigde en een conservatieve liberale stroming. Op grond van verschillende interpretaties en uitwerkingen van de liberale politieke filosofen kwam voor de Eerste Wereldoorlog een progressieve, gematigde en conservatieve liberale partij tot stand.

In de tekstbijdrage wordt gesproken over de aanwezigheid van drie liberale partijen rond 1900 in de Nederlandse politiek: de progressieve Vrijzinnig-Democratische Bond, de gematigde Liberale Unie en de conservatieve Bond van Vrije Liberalen. De Vrijzinnig-Democratische Bond (VDB) wordt als progressieve liberale partij beschouwd omdat deze zich onder meer een voorstander toonde van staatsingrijpen in de economie, inkomensherverdeling, de totstand-koming van sociale voorzieningen en van algemeen kiesrecht voor mannen en vrouwen. De emancipatie van de vrouw speelde ten opzichte van andere – ook socialistische – partijen een relatief grote rol in de VDB. De gematigde Liberale Unie achtte een beperkt ingrijpen in de economie noodzakelijk. Maar de Liberale Unie stond afwijzend tegenover een ingrijpende inkomensherverdeling omdat de individuele economische vrijheid hierdoor te veel zou worden aangetast. Niettemin werkte de partij mee aan de eerste sociale wetgeving van Nederland. De conservatieve Bond van Vrije Liberalen (BVL) wenste niet af te wijken van het klassieke liberalisme. De conservatieve liberalen pleitten tegen staatsingrijpen in de economie, tegen inkomensherverdeling, tegen sociale voorzieningen en voor particuliere verzekeringen. Bovendien werd aanvankelijk algemeen kiesrecht door hen afgewezen.

In de schoolstrijd in de tweede helft van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw achtten de liberalen staatssubsidie voor bijzondere (zoals protestante en katholieke) scholen in strijd met de scheiding tussen kerk en staat. De liberalen waren zeker geen tegenstanders van christelijk onderwijs. De liberalen erkenden ten eerste uit volle overtuiging de vrijheid van onderwijs, die door henzelf in de grondwetswijziging van 1848 was vastgelegd. Ten tweede wilden de liberalen dat alle kinderen van alle gezindten op openbare scholen onderwijs zouden krijgen in ‘algemeen christelijke deugden’. De meeste liberalen waren immers vrijzinnig-protestant, een minderheid van hen was katholiek. Maar volgens de liberalen had een kerk evenveel rechten als elke andere vereniging. Aangezien de liberalen geen enkele vereniging subsidie wilden geven, zou een subsidie voor bijzondere scholen rechtsongelijkheid betekenen.

In 1917 vond de zogenaamde Pacificatie plaats, waarin zowel de schoolstrijd als de kiesrechtkwestie opgelost werden. De verschillende liberale partijen bereikten overeenstemming over de kiesrechtkwestie. Uiteindelijk hadden de drie liberale partijen een coalitie gevormd en stemden zij in met de invoering van algemeen (mannen)kiesrecht. De eis van de gematigde en progressieve liberalen (en socialisten) van algemeen kiesrecht en hun streven naar de invoering van een stelsel van evenredige vertegenwoordiging, kreeg steun van de confessionelen. In ruil kreeg het streven van de confessionelen naar staatssubsidiëring van bijzonder onderwijs steun van de liberalen.

De Nederlandse samenleving was tot in de jaren zestig verzuild. Conflicten tussen de zuilen zijn volgens Lijpharts pacificatietheorie voorkomen, doordat de politieke eliten van de zuilen – in tegenstelling tot de bases – wél met elkaar samenwerkten. De Pacificatie van 1917 is daar een voorbeeld van. Van alle zuilen was de liberale zuil het minst sterk georganiseerd. Doordat de katholieken, de protestanten en de sociaal-democraten elk een zuil van op de eigen levensbeschouwing gerichte organisaties vormden, bleven de liberalen in diverse organi-saties alleen achter. De liberale zuil lijkt om (ten minste) twee redenen meer een politicologische constructie dan een historisch feit. Ten eerste stelden de liberalen hun organisaties open voor alle gezindten en levens-beschouwingen. Hoewel een aantal liberale organisaties onderscheiden kan worden (zoals de liberale werkgeversorganisatie VNW, midden-stands- en boerenorganisaties, en de AVRO), noemden de meeste organisaties zich niet liberaal, maar ‘nationaal’ of ‘algemeen’. Ten tweede was een coherente liberale zuil onmogelijk door de verdeeldheid tussen de liberalen.

Politicoloog Lipschits maakt een onderscheid tussen twee liberale politieke stromingen in Nederland: de progressieve vrijzinnig-democratische stroming en de gematigde liberale stroming. Het huidige D66 kan beschouwd worden als een partij die past binnen de progressief-liberale stroming. De huidige VVD kan beschouwd worden als een partij die past binnen de gematigd-liberale stroming.

Rond 1900 kon volgens politicoloog Lucardie in Nederland nog van een driestromenland worden gesproken. In economisch opzicht kan tegenwoordig in Nederland niet of nauwelijks meer worden gesproken van een klassiek-liberale of conservatief-liberale stroming. Deze stroming is min of meer verdwenen sinds de jaren dertig van de twintigste eeuw, toen de sociale gevolgen van staatsonthouding door de economische crisis in versterkte vorm duidelijk werden. Alle Nederlandse liberalen erkennen tegenwoordig het principe van staatstaken op het gebied van inkomensherverdeling en sociale zekerheid. Hoewel de conservatieve, klassiek-liberale stroming grotendeels verdwenen is, spelen klassiek-liberale opvattingen over staatsonthouding een rol in de huidige liberale stromingen, met name in de gematigd-liberale stroming. Klassiek-liberale opvattingen over de nadelen en problemen van staatsingrijpen en over de voordelen van de markt in termen van efficiëntie en welvaart, zijn tot op een bepaalde hoogte geaccepteerd door de andere politieke stromingen en partijen in Nederland. Andere stromingen en partijen wijzen doorgaans sterker in verschillende mate op de nadelen van een vrije markt (economische ongelijkheden, het niet tot stand komen van bepaalde collectieve goederen). Klassiek-liberale opvattingen over niet-economische vraagstukken, zoals individuele rechten en machten-scheiding, zijn algemeen aanvaard in de Nederlandse politiek.

De oprichting van de VVD (Volkspartij voor Vrijheid en Democratie) in 1948 was een gevolg van veranderde politieke opvattingen binnen de liberale stroming. In de jaren vijftig en zestig na de Tweede Wereldoorlog was de VVD sterk overheidsgericht. In de VVD stond een aantal overheidstaken niet ter discussie: de doelstelling van realisering van volledige werkgelegenheid, macro-economische sturing en de uitbreiding van het stelsel van sociale zekerheid. De toename van de collectieve sector, de stijgende belastingdruk en de groei van de verzorgingsstaat in combinatie met de economische crises van de jaren zeventig leidden tot een hernieuwde afkeer van staatsingrijpen. De VVD legt sindsdien onder meer de nadruk op deregulering en privatisering van de collectieve sector. Bovendien zou het sociale zekerheidsstelsel ingekrompen moeten worden. Deze laatste ontwikkeling vanaf de jaren zeventig ging volgens politicoloog De Beus gepaard met de opkomst van het zogenaamde volksliberalisme, waarin politicus Wiegel een belangrijke rol heeft gespeeld. Het volksliberalisme van de VVD richt zich op de gegroeide middenklasse en probeert te profiteren van de deconfessionalisering van de kiezers.

upload.wikimedia.org_wikipedia_nl_thumb_6_6e_hans_van_mierlo_fractievoorzitter.jpg_200px-hans_van_mierlo_fractievoorzitter.jpg Hans van Mierlo: mede-oprichter van D66 (Foto: Wikipedia)
D66 (1966) legt relatief sterk de nadruk op bestuurlijke, staatkundige en politieke vernieuwing. Zij stelde zich aanvankelijk pragmatisch op: politieke problemen zouden zonder ideologische ‘vooringenomenheid’ benaderd moeten worden. Met nog steeds dezelfde scepsis ten aanzien van ideologieën, beschouwt D66 zich tegenwoordig als een progressief-liberale partij. De in 1994 gevormde ‘paarse coalitie’ van VVD, D66 en PvdA voerde een marktgericht beleid.

De ontwikkeling van de liberale stroming in Nederland vanaf 1880 kan als volgt in schema worden gebracht: Toelichting De LSP (Liberale Staatspartij) ontbreekt in het schema. De Vrijheidsbond (1921) ging zich vanaf eind jaren twintig de Liberale Staatspartij noemen (zie de tekstbijdrage van R.A. Koole aan het begin van deze paragraaf).
De PvdA behoort niet tot de liberale stroming. De PvdA is in het schema opgenomen, omdat de progressief-liberale VDB in 1946 samen met de socialistische SDAP en de christelijke CDU opging in de sociaal-democratische PvdA. Hiermee beoogden deze partijen een zogenaamde ‘doorbraak’ van het verzuilde partijbestel. Na de Tweede Wereldoorlog streefden met name progressieve liberalen naar samenwerking met onder meer sociaal-democraten. Hoewel de VDB in de PvdA bleef, verliet een aantal liberalen (de zogenaamde ‘groep-Oud’) deze ‘doorbraak’partij ongeveer een jaar na haar oprichting. In 1948 fuseerde de liberale groep-Oud vervolgens met de Partij van de Vrijheid – de vernieuwde LSP (Vrijheidsbond) – in de VVD. (Zie eventueel de tekstbijdrage van R.A. Koole.)

Het schema suggereert dat de VVD een voortzetting is van de Vrijheidsbond (Liberale Staatspartij). In feite is de VVD opgericht door liberalen die grotendeels uit de PvdA afkomstig waren, waarin zij gedurende ongeveer een jaar uiting hadden gegeven aan hun streven naar een progressieve, niet-confessionele ‘doorbraak’partij. Daarom zou in het schema een pijl moeten worden getrokken van de PvdA naar de VVD.

De Partij voor de Vrijheid ontbreekt in het schema. Deze partij – voorheen de Groep Wilders – scheidde zich in 2006 van de VVD af. Voor ontwikkelingen op het liberale front in de laatste decennia: zie verderop in hoofdstuk vijf.


Terug naar de cursusindex

 
politieke_stromingen/liberalisme.txt · Laatst gewijzigd: 2007/10/10 01:16 door 82.136.250.77
 
Recent changes RSS feed Powered by PHP Valid XHTML 1.0 Valid CSS Driven by DokuWiki