De eindtoets bestaat uit meerkeuze- en open vragen.
Geef van elk van deze vragen aan welk alternatief het juiste is.
Het begrip ‘ideologie’ heeft vele betekenissen en voor veel mensen ook een negatieve bijklank. Welke betekenis heeft het begrip in de moderne politicologie?
a een min of meer bewuste verhulling van de werkelijkheid op basis van de belangen van een bepaalde groep
b een samenhangend geheel van voorstellingen en beginselen waarmee men zijn positie en zijn beleid bepaalt en rechtvaardigt
c de manier waarop personen of groeperingen hun positie en hun beleid bepalen en rechtvaardigen
d een min of meer bewuste verhulling van de werkelijkheid waarmee men zijn positie en zijn beleid bepaalt en rechtvaardigt
De belangrijkste grondleggers van het liberalisme zijn
a Montesquieu, Rousseau, Smith, Bentham en Mill.
b Montesquieu, Rousseau, Smith, Hegel en Mill.
c Montesquieu, Rousseau, Smith en Mill.
d Montesquieu, Rousseau, Rawls, Bentham, Smith en Mill.
D66 heeft in de laatste decennia vooral aandacht gevraagd voor
a lastenverlichting voor de burger en verbetering van het milieu.
b de vernieuwing van het liberalisme in progressieve richting.
c de afschaffing van alle politieke ideologieën.
d de herziening van het politieke en staatkundige bestel.
De christen-democratie wijst radicale maatschappelijke hervormingen af omdat
a de organische staatstheorie van Thomas van Aquino stelt dat een samenleving pas goed kan functioneren als de onderdelen in harmonie met elkaar samenleven.
b radicale hervormingen niet in overeenstemming zijn met bijbelse voorschriften.
c de organische staatstheorie van Thomas van Aquino stelt dat in elke gemeenschap gaandeweg een harmonieuze situatie ontstaat.
d christen-democraten zowel het liberale individualisme als het socialistische collectivisme verwerpen.
De vorming van het CDA is vooral bevorderd door
a het optreden van partijleider Lubbers en de verkiezingsuitslagen in de laatste decennia.
b de aanhoudende verkiezingsnederlagen rond 1970.
c de ideologische veranderingen in het denken over de plaats en functie van confessionele partijen.
d de combinatie van verkiezingsnederlagen en veranderingen in het ideologisch denken.
Tot de zogeheten ‘vroege socialisten’ behoorden politieke denkers als
a Campannella, Owen en Fourier.
b Owen, Fourier en Engels.
c Owen, Fourier, Rousseau en Hegel.
d Marx en Engels.
De aanduiding ‘Nieuw Links’ wordt gebruikt om
a de herziening van het marxisme door Bernstein aan te duiden.
b de stroming aan te geven die heeft geleid tot de opkomst van GroenLinks.
c de stroming aan te geven die heeft geleid tot de oprichting van de PSP.
d een groep PvdA-leden aan te duiden die in de jaren zestig streefde naar veranderingen binnen de partij.
Wat is confessionalisme?
Wat wordt verstaan onder de collectivistische benadering van links en de individualistische benadering van rechts?
Wat wordt verstaan onder het klassieke liberalisme?
Welke eensluidende opvatting hadden rond 1900 de toenmalige drie liberale politieke partijen in de schoolstrijd?
Christen-democraten leggen – waar volgens hun mogelijk – de nadruk op decentrale overheidstaken. Welke christelijk-sociale ideeën liggen aan deze voorkeur voor decentralisatie ten grondslag?
Wat is het Mandement van 1954 en wat had dit mandement met de PvdA te maken?
Wat hebben de politieke filosofen en economen die tot de grondleggers van de ideologische traditie van het socialisme gerekend worden, gemeenschappelijk?
Na de Tweede wereldoorlog richtte de PvdA zich op de verzorgende taak van de overheid. Kan de verzorgingsstaat aan de sociaal-democraten worden toegeschreven?