Antwoorden eindtoets

Meerkeuzevragen

  1. Het juiste antwoord is b. Zie hoofdstuk 1.
  2. Het juiste antwoord is a. Zie hoofdstuk 2.
  3. Het juiste antwoord is d. Zie hoofdstuk 2.
  4. Het juiste antwoord is a. Zie hoofdstuk 3.
  5. Het juiste antwoord is d. Zie hoofdstuk 3.
  6. Het juiste antwoord is a. Zie hoofdstuk 4.
  7. Het juiste antwoord is d. Zie hoofdstuk 4.

Open vragen

  1. Confessionalisme betreft de opvatting dat een bepaalde geloofsovertuiging zowel in het persoonlijke leven als in de samenleving vooropgesteld dient te worden.
  2. In economisch opzicht heeft links een collectivistische benadering en rechts een individualistische benadering.
    In economisch opzicht legt links de nadruk op de collectiviteit van de samenleving. Links streeft naar (een bepaalde mate van) materiële gelijkheid tussen mensen en keert zich (in een bepaalde mate) tegen ongelijkheden tussen mensen in onder meer bezit, inkomen, macht, zeggenschap over de productiemiddelen en ontplooiingskansen. Links kant zich daarom volledig of gedeeltelijk tegen een vrijemarkteconomie die tot te grote materiële ongelijkheden tussen mensen zou leiden. Het begrip ‘links’ wordt dan ook geassocieerd met het volledig of gedeeltelijk afwijzen van economische vrijheid.
    In economisch opzicht legt rechts de nadruk op de (rechten en vrijheden van) individuen in een samenleving. Rechts wordt geassocieerd met (een bepaalde mate van) economische vrijheid van individuen. Een bepaalde mate van materiële ongelijkheid tussen mensen wordt onvermijdelijk geacht als gevolg van het bestaan van capaciteitsverschillen tussen mensen. Economische vrijheid van individuen in een volledige of gedeeltelijke vrijemarkteconomie zou volgens rechts een hogere mate van efficiëntie en welvaart opleveren dan enig ander economisch systeem.
  3. De theorieën van Locke (onvervreemdbare individuele rechten), Montesquieu (machtenscheiding) en Smith (vrijemarkteconomie en minimale staat) vormen de kern van het klassieke liberalisme. Volgens de verdragstheorie van Locke hebben burgers recht op verzet als de monarch hun onvervreemdbare, individuele rechten naar willekeur schendt. Locke’s verdediging van onvervreemdbare individuele rechten behoort tot de kern van het klassieke liberalisme. Montesquieu acht een in de grondwet vastgelegde machtenscheiding een noodzakelijke voorwaarde voor de garantie van de onder meer door Locke bepleite individuele vrijheid en rechtszekerheid. De vrijheid van het individu staat in economische zin centraal bij Smith. Hij verdedigt de vrijemarkteconomie in termen van de economische vrijheid van het individu, efficiëntie en welvaart. Het klassieke liberalisme verwijst dan ook naar de verdediging van de individuele politieke vrijheid, gegarandeerd door (in de grondwet vastgelegde) machtenscheiding en individuele rechten, en naar individuele economische vrijheid, gegarandeerd door een vrije-markteconomie en een minimale staat. De minimale staat bemoeit zich niet met het economisch handelen of de inkomens van burgers en organisaties, tenzij in het geval van marktbelemmerende samenwerkingen of de bedreiging of aantasting van eigendom en veiligheid. De minimale staat houdt zich daarom bezig met rechtspraak en zorgt voor publieke goederen (zoals defensie) die de markt niet voortbrengt.
  4. Ten tijde van de schoolstrijd rond 1900 waren er drie politieke stromingen en partijen in Nederland: de progressief-liberale stroming, waarvan de Vrijzinnig-Democratische Bond de vertegenwoordiger was, de gematigde liberale stroming, waarvan de Liberale Unie de vertegenwoordiger was, en de conservatieve, klassiek-liberale stroming, waarvan de Bond van Vrije Liberalen de vertegenwoordiger was. Hoewel deze liberale partijen (en stromingen) verschillende meningen hadden over de mate van staatsingrijpen (in de zogenaamde sociale kwestie) en de mate van uitbreiding van kiesrecht (in de zogenaamde kiesrechtkwestie), deelden zij dezelfde opvatting in de schoolstrijd. De drie liberale partijen achtten de staatssubsidiëring van bijzondere (zoals protestante en katholieke) scholen in strijd met de scheiding tussen kerk en staat. Een kerk had volgens de liberalen evenveel recht op subsidie als iedere andere vereniging. Aangezien de liberalen geen enkele vereniging subsidie wilden geven, zou een subsidie voor bijzondere scholen rechtsongelijkheid betekenen. Niettemin werd in 1917 (de Pacificatie van 1917) besloten bijzondere scholen te subsidiëren in ruil voor steun van de confessionelen voor de invoering van algemeen (mannen)kiesrecht en evenredige vertegenwoordiging.
  5. De christen-democratische voorkeur voor decentralisatie vloeit voort uit de beginselen van subsidiariteit en van soevereiniteit in eigen kring. Volgens deze beginselen zouden decentrale overheidsorganen en maatschappelijke (of: particuliere) organisaties zo veel mogelijk zelfbestuur moeten hebben. Naast algemeen-christelijke waarden van de eigen verantwoordelijkheid van mensen ligt een organische maatschappijvisie ten grondslag aan de beginselen van subsidiariteit en van soevereiniteit in eigen kring. Zelfbestuur van decentrale overheidsorganen en particuliere organisaties veronderstelt immers (een bepaalde mate van) harmonie en samenwerking tussen overheids-organen onderling, tussen overheid en samenleving en binnen de samenleving.
  6. Het Mandement van 1954 is een dringend appèl van de katholieke kerk aan de katholieken om tot eenheid te komen. De in 1848 opgerichte conservatief-katholieke KNP (Katholieke Nationale Partij) keerde onder druk van het bischoppelijk vermaan in 1955 terug naar de KVP (Katholieke Volkspartij). Na de Tweede-Wereldoorlog was een aantal katholieken uit de KVP (de zogenaamde Christofoor-groep) toegetreden tot de ‘doorbraak’-partij PvdA (Partij van de Arbeid). Het Mandaat van 1954 was uitdrukkelijk gericht tegen de deelname van katholieken aan andere partijen dan aan de ene door bischoppen beoogde katholieke partij (KVP). De in 1946 tot de PvdA toegetreden katholieken bleven echter in de PvdA.
  7. Het gemeenschappelijk uitgangspunt van de politieke filosofen en economen die gerekend worden tot de grondleggers van de ideologische traditie van het socialisme betreft de nadruk op de waarde solidariteit tussen de individuen in een gemeenschap. Deze solidariteit zou onder meer tot uiting moeten komen in een bepaalde mate van economische gelijkheid tussen individuen in een gemeenschap. Deze denkers uit(t)en kritiek op de klassiek-liberale vrijemarkteconomie omdat hierin onaanvaardbare inkomensverschillen (of: economische ongelijkheden) zouden ontstaan.
  8. De verzorgingsstaat is nooit een vooropgezet plan van de sociaal-democraten (of van andere politieke stromingen) geweest, maar is gevormd door incidentele beslissingen van diverse politieke stromingen, eveneens ten tijde van confessioneel-liberale coalitiekabinetten. Niettemin ontpopte de PvdA zich als hoeder van de verzorgingsstaat. De crisis van de verzorgingsstaat dwong de PvdA echter na te denken over de omvang van de collectieve sector. Een meerderheid binnen de huidige PvdA blijft de noodzaak van een (neocorporatistische) interventiestaat benadrukken. De overheid zou de bestaanszekerheid van burgers moeten garanderen. Daarom zou de overheid moeten interveniëren in de markt, terwijl bij overheidsplanning overleg met belangengroepen, zoals werkgevers en werknemers, onontbeerlijk wordt geacht.

—- Terug naar de cursusindex

 
politieke_stromingen/antwoorden_eindtoets.txt · Laatst gewijzigd: 2007/10/10 03:07 door 82.136.250.77
 
Recent changes RSS feed Powered by PHP Valid XHTML 1.0 Valid CSS Driven by DokuWiki