Uitgebreide informatie over de legale rompslomp rondom kraken door europa vind je op: http://legal.squat.net/dokuwiki

Wetsartikelen

Artikel 138 Wetboek van Strafrecht
lid 1: Hij die in de woning of het besloten lokaal of erf, bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringt of, wederrechtelijk aldaar vertoevende, zich niet op vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds verwijdert, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of een geldboete van de derde categorie.
lid 2: Hij die zich de toegang heeft verschaft door middel van braak of inklimming, van valse sleutels, van een valse order of een vals kostuum, of die, zonder voorkennis van de rechthebbende en anders dan ten gevolge van vergissing binnengekomen, aldaar wordt aangetroffen in de voor de nachtrust bestemde tijd, wordt geacht te zijn binnengedrongen.
lid 3: Indien hij bedreigingen uit of zich bedient van middelen geschikt om vrees aan te jagen, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.
lid 4: De in het eerste en derde lid bepaalde gevangenisstraffen kunnen met een derde worden verhoogd, indien twee of meer verenigde personen het misdrijf plegen.

Artikel 139 Wetboek van Strafrecht
lid 1: Hij die in een voor de openbare dienst bestemd lokaal wederrechtelijk binnendringt, of, wederrechtelijk aldaar vertoevende, zich niet op de vordering van de bevoegde ambtenaar aanstonds verwijdert, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie.

Artikel 429 sexies
1. Hij die een door hem wederrechtelijk in gebruik genomen woning of gebouw, waarvan het gebruik door de rechthebbende niet meer dan twaalf maanden voorafgaande aan die wederrechtelijke ingebruikname is beëindigd, op vordering van of vanwege de rechthebbende niet aanstonds ontruimt, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste vier maanden of geldboete van de derde categorie.
2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die, vertoevende in een wederrechtelijk in gebruik genomen woning of gebouw, waarvan het gebruik door de rechthebbende niet meer dan twaalf maanden voorafgaande aan die wederrechtelijke in gebruik name is beëindigd, zich op vordering van of vanwege de rechthebbende niet aanstonds verwijdert.

De bovenste twee artikels geven simpelweg aan dat een pand dat door een ander in gebruik is (dus niet leeg staat), niet mag worden gekraakt. Het onderste artikel (429 sexies) geeft aan dat een pand dat korter dan een jaar geleden nog in gebruik was, ook niet mag worden gekraakt. Een pand moet dus minimaal een jaar leeg staan, voordat het gekraakt mag worden.

"Feitelijk gebruik"

De Hoge Raad is een rechtsinstantie die je kunt vragen een oordeel te vellen over een vonnis van een lagere rechtbank. De uitspraken van de Hoge Raad vormen zwaarwegende 'Jurisprudentie' die je kunt gebruiken ter verdediging van je kraakactie. Het verhaal dat het hebben van een huurcontract op zichzelf niets bewijst over daadwerkelijk gebruik komt uit de toelichting zoals gepubliceerd in de 'Nederlandse Jurisprudentie' (NJ). Deze toelichting is, ook hier weer als we het goed begrepen hebben, niet de algemene mening van de Hoge Raad en daarmee niet zomaar jurisprudentie. Het zou wel een indicatie voor lagere rechtbanken zijn uit welke hoek de wind waait. Er zullen zeker nog enkele proefprocessen gevoerd moeten worden voordat je je op deze Hoge Raad uitspraak kunt beroepen. Toch is het interessant om even te kijken naar wat zij over de '1 jaars' termijn zeggen. Vooral wat betreft de (her- ) bevestiging dat een huurkontrakt nog geen gebruik hoeft te zijn.

Hetvolgende is uit: Panholzerbundel, Frans Panholzer Arrest 510 Arnhemse kraker HR 10-6-97, 97.738; DD 97.296 Casus: Een kraker wordt (ontruimd en) vervolgd op basis van art. 429sexies Sr. Verdediging voert als verweer dat de woning langer dan twaalf maanden leegstond en er dus geen reëel gebruik was. Rechtbank: Er was een huurcontract dat korter dan twaalf maanden voor het in gebruik nemen werd beëindigd. Volgt veroordeling wegens een door hem wederrechtelijk in gebruik genomen woning waarvan het gebruik door de rechthebbende niet meer dan twaalf maanden voorafgaande aan die wederrechtelijke in gebruikname is beëindigd op vordering vanwege de rechthebbende niet aanstonds te ontruimen. Hoge Raad: Blijkens de parlementaire geschiedenis strekt art. 429sexies Sr voor wat betreft woningen ertoe om de rechthebbende tot twaalf maanden nadat het feitelijk gebruik als woning is beëindigd te beschermen tegen de wederrechtelijke in gebruikname daarvan. De enkele omstandigheid dat het huurcontract korter dan twaalf maanden voor het in gebruik nemen is beëindigd, brengt niet mee dat er sprake is geweest van feitelijk gebruik als woning tot die tijd. De bewezenverklaring is niet naar de eis der wet met redenen omkleed. Volgt vernietiging en verwijzing naar het Hof van het ressort.

Uit de conclusie A-G Dorst: Onder 'gebruik' in art. 138 Sr (huisvredebreuk) pleegt te worden verstaan 'feitelijk in gebruik' (HR 2-2-71 arrest Nijmeegse kraker). De wetsgeschiedenis van de Huisvestingswet lijkt te bevestigen dat de strafrechtelijke 'verlengde gebruiksbescherming' ex. art. 429sexies SR pas aanvangt nadat het (feitelijk) gebruik een einde heeft genomen. De bepalingen vormen elkaars spiegelbeeld. De beëindiging van een huurovereenkomst is niet beslissend voor de vraag omtrent feitelijk gebruik. Het kraken van gebouwen die niet onder de omschrijving van de Leegstandwet vallen, gebouwen dus die geen woonfunktie hebben of kunnen hebben, zal niet via de toepassing van art. 429sexies Sr. bestreden kunnen worden. De eigenaar van een garage, paardenstal, pakhuis e.d. of van een besloten lokaal zoals een kerk of een concertzaal, zal niet met een beroep op art. 429sexies Sr de politie te hulp kunnen roepen. Concludeert conform. De laatste opmerking, dat art 429sexies niet op gaat voor niet-woongebouwen, is iets waar lang niet elke rechtbank aan wil. Als argument, als we de advokaat goed hebben begrepen, wordt door die rechtbank aangevoerd dat deze beperking tot woongebouwen ooit werd opgenomen in de Leegstandswet omdat het te ver zou gaan elke lege paardestal in het in die wet voorgestelde leegstandsregister te zetten. Ondertussen stelt de leegstandsregistratie niets meer voor, maar dat is een ander verhaal. Je begrijpt dat je in de praktijk goed rekening zult moeten houden met artikel 429 sexies en in ieder geval niet zomaar iets moet gaan kraken wat net een paar maanden leeg staat. Krakers deden dat over het algemeen toch al niet dus eigenlijk is er niet zoveel veranderd. De hierboven beschreven wetsartikelen en hun toelichtingen vertellen je over de landelijke wetten die verband houden met kraken.

De strafrechtelijke kant van kraken

Het misdrijf van art. 138 Sr staat bekend onder de naam 'huisvredebreuk'. Lid 1 luidt -samengevat- als volgt: 'hij die in de woning … bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringt … wordt gestraft …'. In 1971 wees de Hoge Raad een arrest inzake art. 138 Sr en het kraken van een woning. De Hoge Raad oordeelde in dit arrest van 2 februari 1971, NJ 1971, 385, dat de woorden 'in gebruik' slechts kunnen worden verstaan als 'feitelijk als woning in gebruik'. De Hoge Raad verwierp hiermee de overweging van het Hof dat een leegstaande woning die te koop staat en waarover aldus de eigenares doende is te beschikken, ook 'in gebruik' in de zin van art. 138 Sr is. Hierdoor was het strafrechtelijk niet verboden om een niet feitelijk in gebruik zijnde woning te kraken. Het kraken heeft sinds de jaren '70 een grote vlucht genomen. Het begrip 'in gebruik' is in verschillende latere arresten van de Hoge Raad nader omlijnd en uitgewerkt: HR 4 januari 1972, NJ 1972, 121 (de bewoonster is in een ziekenhuis opgenomen en het huis wordt dus niet bewoond; pand is toch in gebruik); HR 14 april 1981, NJ 1981, 421 (het pand staat tussen overlijden van de bewoner en het ontruimen ten behoeve van koper enige tijd leeg: pand is in gebruik); HR 17 november 1989, RvdW 1989, 260 (eigenaresse heeft slechts een voornemen tot renovatie van leegstaande woning: pand is niet in gebruik); HR 17 november 1989, RvdW 1989, 261 (leegstaande wisselwoning is bestemd tot bewoning binnen afzienbare tijd door bepaalde huurders en dus is het pand in gebruik).

Omdat art. 138 Sr blijkens het bovenstaande maar een beperkte werking heeft, hebben in het verleden verschillende gemeenten een zogenaamde 'anti-kraak'-bepaling opgenomen in de Algemene Politieverordening. Zie hierover HR 8 april 1980, NJ 1980, 530 ( besproken door E.P. von Brucken Fock in AA 1981, p. 29-33); Vz. ARRvS 25 november 1991, AB 1992, 309 en Vz. ARRvS 12 maart 1992, AB 1992, 442.

Ter dichting van het strafrechtelijke 'gat' in art. 138 Sr is eerst in 1973 een ontwerp-anti-kraakwet opgesteld. Tegen dit ontwerp rezen veel bezwaren met name na het rapport van de Raad van Kerken in 1978, waarin aangedrongen werd om het kraken als maatschappelijk verschijnsel serieus te nemen en meer de aandacht te richten op de oorzaak ervan, namelijk de woningnood. Vervolgens is de strafbaarstelling van kraken opgenomen in Hoofdstuk IV van de Leegstandwet. Hierin was de strafbaarstelling gekoppeld aan de leegstand-registratieplicht (Hoofdstuk V van de Lw): het kraken van een niet-geregistreerd pand zou geen strafbaar feit opleveren, zie art. 14 Lw. Beide Hoofdstukken van de Lw zijn echter, wegens de hoge (registratie-)kosten voor de gemeenten, nooit ingevoerd. Zie over de Leegstandwet, par.2 hierna.

Door de invoering van de Huisvestingswet is op 1 juli 1993 art. 429sexies Sr in werking getreden. Dit artikel (een overtreding) geldt alleen voor woningen of gebouwen die gekraakt worden op een moment dat zij nog niet twaalf maanden ongebruikt zijn. Strafbaar is degene die of het pand wederrechtelijk in gebruik heeft genomen (en dat is dus bij leegstand van minder dan twaalf maanden), of die vertoeft in een wederrechtelijk in gebruik genomen pand en die dit pand niet aanstonds ontruimt op vordering van de rechthebbende. In de uitspraak van HR 10 juni 1997, NJ 1997, 738 kwam het begrip 'gebruik' in art. 429sexies aan de orde. De Hoge Raad overwoog dat het enkele feit dat een huurovereenkomst met betrekking tot het betreffende pand was afgesloten, nog niet met zich meebrengt dat er sprake is van feitelijk gebruik. In de uitspraak van Pres. Rb. Amsterdam 12 maart 1998, KG 1998, 122 werd ingegaan op de vraag wanneer het gebruik was geeindigd; tevens overwoog de president dat voor de uitleg van het begrip 'gebouw' niet uitgegaan moest worden van het engere begrip dat in de Leegstandwet werd gehanteerd; in casu werd daarom een laatstelijk als girokantoor gebruikt pand als gebouw in de zin van art. 429sexies aangemerkt. Zie voor een executiegeschil waarin de verschillen tussen art. 138 en art. 429sexies Sr aan de orde kwamen: Pres. Rb. Amsterdam, 14 oktober 1993, KG 1993, 391 en 11 november 1993, KG 1993, 422. In de uitspraak van Pres. Rb. Haarlem 21 juli 1994, KG 1994, 304, kwam de verhouding tussen art. 429sexies Sr en een 'anti-kraak'-bepaling in een gemeentelijke verordening aan de orde; de president overwoog dat de bepaling in de verordening zag op een onderwerp waarin nu in art. 429sexies, dus een wet in formele zin, wordt voorzien; hierdoor kwam de grondslag aan een besluit gebaseerd op deze bepaling in de gemeentelijke verordening te vervallen. Ook al is art. 429sexies slechts een overtreding en niet een misdrijf, zoals art. 138, toch is ontruiming niet een te zwaar middel om deze strafbepaling te handhaven, aldus Hof Amsterdam 19 januari 1995, NJ 1996, 185.

De strafrechtelijke bepalingen geven de eigenaar van of rechthebbende op een woning (gebouw) geen recht op een zelfstandig strafrechtelijk ontruimingsrecht. De eigenaar of rechthebbende zal eerst aangifte moeten doen bij de politie en pas als de Officier van Justitie constateert dat er sprake is van een strafbaar feit, dan kan hij de politie opdracht geven om tot aanhouding over te gaan, hetgeen in de praktijk neerkomt op ontruiming van de gekraakte woning. De bevoegdheid van de officier van justitie om op grond van de art. 138 dan wel 429sexies Sr te ontruimen komt veelal aan de orde in een executiegeschil; zie bijvoorbeeld Pres. Rb. Amsterdam 13 maart 1989, KG 1989, 152, vernietigd door Hof Amsterdam 23 november 1989, KG 1990, 9; Pres. Rb. Amsterdam 2 mei 1991, KG 1991, 182 en Pres. Rb. Amsterdam 20 juni 1996, KG 1996, 332. In deze laatste zaak werd de officier van justitie verboden te ontruimen, doch in een later kort geding werd de (civielrechtelijke) vordering van de eigenaar tot ontruiming wel toegewezen, zie Pres. Rb. Amsterdam 23 september 1996, KG 1996, 333. In de uitspraak van Pres. Rb. Groningen 21 juli 1995, KG 1995, 353 werden de vragen of de officier verplicht was om voorafgaan aan de ontruiming bewijsstukken inzake het wederrechtelijk ingebruiknemen over te leggen en of hij ontruiming achterwege had moeten laten totdat het door de krakers aangespannen kort geding had gediend, in zijn algemeenheid ontkennend beantwoord. Zie tenslotte Rb. Leeuwarden 7 februari 1996, NJ 1997, 679 waarin voor recht werd verklaard dat de ontruiming van een gekraakt pand onrechtmatig was: de politie was tot ontruiming overgegaan, terwijl het pand voorafgaand aan het kraken niet feitelijk in gebruik was (dus geen overtreding van art. 138 Sr) en al langer dan twaalf maanden leeg stond (dus evenmin overtreding van art. 429sexies Sr).

Art. 91 lid 6 Hvw bevat de overgangsregeling voor art. 429sexies Sr: dit artikel geldt niet voor panden die al voor 1 juli 1993 gekraakt waren. In twee gevallen leidt het kraken van een pand, waaruit de gebruikers niet vertrokken zijn op vordering van de rechthebbende, dus niet tot overtreding van art. 429sexies Sr: indien een pand voor 1 juli 1993 gekraakt is, zonder dat art. 138 Sr toepasselijk was en indien een pand langer dan twaalf maanden niet gebruikt is. In die gevallen kan de rechthebbende op het pand alleen langs civielrechtelijke weg proberen een eind te maken aan deze situatie.

Leegstandswet

De Leegstandwet (Lw) is het antwoord van de wetgever op de beroering rond het verschijnsel kraken (zie ook par. 1.6). Enerzijds klonken afwijzende stemmen, omdat kraken een inbreuk op het eigendomsrecht is, anderzijds bracht het kraken ongerechtvaardigde leegstand aan het licht. De gemeentelijke en landelijke politiek werden gedwongen meer aandacht te besteden aan het opvoeren van het aantal in de sociale sector te bouwen woningen, het bewoonbaar maken van bestaande leegstaande panden (bijvoorbeeld voor woongroepen) en het anderszins bestrijden van leegstand en woningnood. Vanuit deze beide invalshoeken: het tegengaan van kraken als inbreuk op het eigendomsrecht en het bestrijden van ongerechtvaardigde leegstand, is de Leegstandwet (Lw) ontworpen. Het ontwerp-Leegstandwet bood hiervoor de volgende instrumenten:

A Maatregelen ter bestrijding van leegstand

  1. een ruime definitie van leegstand (Hoofdstuk I)
  2. registratieplicht leegstand (Hoofdstuk II)
  3. verplichte vordering door gemeenten (Hoofdstuk III)
  4. de tijdelijke verhuur (Hoofdstuk V)
  5. vereenvoudiging van de vorderingsprocedure (Hoofdstuk VII)

B Tegengaan van kraken

  1. strafbaar stellen van kraken, gekoppeld aan de registratieplicht (Hoofdstuk IV)
  2. de anonieme dagvaarding en andere procedurele bepalingen (Hoofdstuk VI).

Al gauw bleek echter dat met name het voorgestelde registratie- en vorderingssysteem op te hoge kosten zou komen. Om de beide doelstellingen van de wet nog enigszins met elkaar in evenwicht te houden werd toen besloten om naast de registratie- en vorderingsplicht en de versnelde vordering, ook de strafbaarstelling van kraken niet in te voeren. De overige hoofdstukken (de Hoofdstukken I, V, VI en VII) zijn per 1 januari 1986 wel ingevoerd, met uitzondering van de art. 18A-D in Hoofdstuk VI, die pas per 1 januari 1987 in werking traden. Sinds de inwerkingtreding van de Hvw per 1 juli 1993 is de vereenvoudigde vorderingsprocedure in hoofdstuk V vervallen, alsmede alle in de Lw opgenomen hoofdstukken die nooit zijn ingevoerd; zie art. 89 lid 5 Hvw. De Lw is hiermee een bijna geheel ontmantelde wet, waarvan alleen hoofdstuk I (definitiebepalingen) en hoofdstuk V (tijdelijke verhuur) nog werking hebben. Ook hoofdstuk VI (anonieme dagvaarding en andere procedurele bepalingen) heeft nog werking, doch dit hoofdstuk betreft bepalingen die in het Wetboek van Rechtsvordering zijn opgenomen en die dus niet een rechtstreekse werking van de Lw betreffen. Omdat van de tijdelijke verhuur-regeling nauwelijks gebruik wordt gemaakt, had de wetgever er bij de invoering van de Hvw beter aan gedaan om de Lw in zijn geheel te laten vervallen.

De leegstandswet

Art. 1 lid 1 Lw geeft als voornaamste definities:

'Woning' (art. 1 lid 1, sub a Lw)
Volgens de Memorie van Toelichting bij de Leegstandwet dient voor het begrip 'zelfstandige woongelegenheid' aansluiting gezocht te worden bij de Woonruimtewet (art. 1 jo. art. 3 Wrw jo. art. 1 Wrb). Deze artikelen beperken de werking van de Woonruimtewet tot zelfstandige woonruimte onder de daarin aangegeven huurprijs- en koopprijsgrens. Vrije sector-woningen vallen dus buiten de werking van zowel de Woonruimtewet als de Leegstandwet. De Woonruimtewet is weliswaar afgeschaft en vervangen door de Huisvestingswet, waarin in art. 1 bepaald is dat woonruimte elke soort woonruimte omvat, doch dit heeft ons inziens geen invloed op het feit dat de Lw alleen bedoeld is voor woningen onder de vrije sector-grens. Deze beperking geldt niet voor de bepalingen inzake de anonieme dagvaarding en ontruiming van krakers. Deze bepalingen zijn, zoals hierna bij de definitie van 'gebouw' uiteengezet wordt, toepasselijk op alle gebouwde onroerende zaken.

'Gebouw' (art. 1 lid 1, sub b Lw)
De definitie van gebouw is hier minder ruim dan die in het vervallen art. 7 lid 1 Wrw. De reden hiervoor is dat men wilde waken voor overbelasting van het (niet ingevoerde) registratiestelsel. Voor de bepalingen inzake de anonieme dagvaarding en de ontruiming van krakers geldt het begrip 'gebouwde onroerende zaak', zie de art. 4, sub 12 en 5 lid 1, sub 2 Rv. In de uitspraak van Hof Amsterdam 26 november 1987, WR 1988, 1, werd vastgesteld dat dit begrip ruimer is dan het begrip 'gebouw' in art. 1 lid 1, sub b Lw. Het Hof vernietigde de uitspraak van de president van de rechtbank te Amsterdam (20 augustus 1987, KG 1987, 384), die geoordeeld had dat de anonieme dagvaarding niet bedoeld is voor ruimten waarvoor de leegstandwet als geheel niet geldt. Zo ook: Pres. Rb. Zutphen 13 december 1993, KG 1994, 37. Zie in dit verband tevens Pres. Rb. Haarlem 6 februari 1987, KG 1987, 112: krakers van woonwagens, caravans en dergelijke vallen niet onder de toepassing van art. 4 sub 12 Rv: het betreft hier geen gebouwde onroerende zaken. Zie ook Pres. Rb. Amsterdam 12 maart 1998, KG 1998, 122: voor de toepassing van art. 429sexies dient niet uitgegaan te worden van de engere definitie van gebouw in art. 1 lid 1 sub b Lw, zie over deze uitspraak ook par. 1.6.

'Eigenaar'(art. 1 lid 1, sub c Lw)
Een eigenaar wordt hier omschreven als 'degene die bevoegd is tot het in gebruik geven van een woning of gebouw'. Dezelfde definitie is opgenomen in art. 6 lid 2 Hvw, zie hierover uitgebreider par. 1.2.j.

'Leegstand'(art. 1 lid 1, sub d Lw)
Deze definitie van 'leegstand' is thans ook opgenomen in art. 1 lid 1 sub e Hvw, zie par. 1.2.d. De betekenis ervan voor de Lw is beperkt aangezien dit begrip leegstand vooral aan de orde kwam bij de niet ingevoerde en per 1 juli 1993 vervallen (zie art. 89 lid 5 Hvw) Hoofdstukken II, III en IV. De definitie geldt nu nog voor de regeling van de tijdelijke verhuur.

De civielrechtelijke kant van kraken

Indien aan de situatie dat een pand gekraakt is niet langs strafrechtelijke weg een einde gemaakt kan worden (zie hierover par. 1.6), dan zal de rechthebbende langs civielrechtelijke weg kunnen proberen zijn pand ontruimd te krijgen. Deze weg lag, voordat de anonieme dagvaarding en enkele andere processuele wijzigingen werden ingevoerd, bezaaid met obstakels. Eerste struikelblok bij de civielrechtelijke ontruimingspoging was het procesrecht, met name de art. 4 en 5 Rv, die vormeisen stellen aan de dagvaarding. Zo dient deze ondermeer naam en woonplaats van de gedaagde te vermelden. Om te voorkomen dat de eigenaar hen kan dagvaarden, houden krakers daarom hun (achter)naam geheim. De tweede hindernis bij het ontruimen van krakers volgde uit HR 2 november 1979, NJ 1980, 154 (Knol/De Merel): voor ontruiming van een kraker met 'de zijnen' is noodzakelijk dat de gedagvaarde persoon een kraker van het eerste uur is, met andere woorden een kraker die heeft deelgenomen aan de oorspronkelijke kraakactie. Kan de eigenaar dit niet bewijzen dan kan alleen de gedagvaarde kraker zelf ontruimd worden, doch niet eventuele andere bewoners; zij behoren dan niet tot 'de zijnen'. Hiermee krijgt de eigenaar zijn pand dus niet leeg, waardoor voor hem het belang ontbreekt om enkel de gedagvaarde bewoner(s) te ontruimen.

Door eigenaren van gekraakte panden zijn met wisselend succes diverse oplossingen bedacht om de problemen met de art. 4 en 5 Rv en de 'Knol/De Merel-problematiek' te omzeilen. Enerzijds door het dagvaarden met behulp van gefingeerde namen of foto's, zie bijvoorbeeld Pres. Rb. Amsterdam 10 december 1987, KG 1988, 34. Anderzijds werd getracht de bewoners van een kraakpand als groep of als rechtspersoon te dagvaarden, zie bijvoorbeeld Pres. Rb. 's-Gravenhage 25 september 1986, WR 1986, 112. Tenslotte is de zogenaamde Huidenstraat-methode (genoemd naar de straat van het pand waarbij voor de eerste maal van deze 'procestruc' gebruik werd gemaakt) geintroduceerd. De Hoge Raad heeft deze methode in zijn arrest van 14 januari 1983, NJ 1983, 267 (Schuring/Sweelinck) gesanctioneerd. Deze methode is als volgt: de eigenaar van een pand laat zich door de koper (of de huurder, zie bijvoorbeeld Pres. Rb. Arnhem 19 augustus 1982, WR 1982, 89) van het pand dagvaarden tot ontruimde oplevering van het pand met alle zich daarop en daarin bevindende personen en goederen. De koper of de huurder verkrijgt vervolgens een ontruimingsvonnis dat hij ook tegen de bewoners van het gekraakte pand ten uitvoer kan leggen. Zie over dit arrest ook hoofdstuk IX, par. 5.4. Slaagde de eigenaar erin de bewoners van een gekraakt pand correct te dagvaarden, dan prevaleerde slechts in een enkel geval het 'woonrecht' boven het eigendomsrecht, zie Rb. Middelburg 24 december 1980, NJ 1981, 374 en Rb. Alkmaar 13 november 1986, WR 1987, 20.

 
landelijke_kraakhandleiding/wettelijk_gezien.txt · Laatst gewijzigd: 2007/12/11 23:17 door 82.136.250.77
 
Recent changes RSS feed Powered by PHP Valid XHTML 1.0 Valid CSS Driven by DokuWiki