Antikraak is het tijdelijk in gebruik nemen van leegstaande gebouwen om te voorkomen deze gekraakt worden. Pandeigenaren schakelen hiervoor een antikraakbureau in, die kamers in het gebouw weer in gebruik geeft aan antikrakers of kraakwachten. Vaak worden in grote gebouwen een of twee mensen tijdelijk gehuisvest, zodat er sprake is van gebruik en het pand dus niet gekraakt kan worden. Deze mensen worden dan zonder huurrechten in het pand gehuisvest. Deze situatie is niet altijd even legaal, en gaat vaak tegen het bestemmingsplan in, zodat de huurders er altijd van de ene op de andere dag weer kunnen worden uitgezet, ook al doet het antikraakcontract soms anders vermoeden. De meeste antikraakbureaus spreken de intentie, maar niet de garantie, uit dat ze bij beëindiging van de woonovereenkomst een ander antikraakpand ter beschikking te zullen stellen. In het contract staat vaak vermeld dat de bewoners niet werkelijk bewoners zijn maar beheerders van het onroerend goed. Doordat antikrakers geen echte bewoners zijn (en er juridisch geen sprake is van gebruik), kan het pand direct na het vertrek van de antikrakers weer gekraakt worden. Bij reguliere bewoners dient het pand eerst een jaar niet meer gebruikt te worden.
Met de regeling tijdelijke verhuur werd beoogd de leegstand op te heffen, veroorzaakt door eigenaren die geen huurovereenkomst willen sluiten betreffende 1623a-woonruimte. De tijdelijke verhuur betreft een huurovereenkomst voor bepaalde, korte duur. Andere soorten huurovereenkomsten van korte duur zijn:
Het meest kenmerkende verschil met de hierboven genoemde overeenkomsten voor korte duur is het feit dat voor tijdelijke verhuur een vergunning van B&W vereist is. De tijdelijke verhuur uit Hoofdstuk V van de Leegstandswet (Lw) lijkt inhoudelijk het meest op de huurovereenkomst voor slooppanden. Vgl. de uitspraak van Ktr. Beetsterzwaag 11 juni 1993, WR 1993, 59: betwijfeld werd of B k W terecht een vergunning voor tijdelijke verhuur (aan zichzelf!) hadden afgegeven, maar desalniettemin werd deze overeenkomst ook als een huurovereenkomst voor een (gemeentelijke) sloopwoning in de zin van art. 1623a lid 1 BW opgevat.
Hoofdstuk V van de Lw is, ook gezien haar strekking, slechts toepasselijk op drie categorieen panden, aldus art. 15 lid 1 Lw:
De voorwaarden voor het aangaan van een tijdelijke huurovereenkomst in de zin van Hoofdstuk V van de Lw zijn:
De kern van de tijdelijke verhuur-regeling is gelegen in de formulering van art. 15 lid 3 sub b: 'van de eigenaar kan in redelijkheid niet verlangd worden …'. Dit is het geval wanneer de eigenaar onevenredig benadeeld zou worden door een beroep op huurbescherming. Zie ook de Circulaire aan de gemeentebesturen van 5 november 1985, MG 85-32 (Stcrt. 1985, 221), waarin gesteld wordt dat het financieel belang van de eigenaar en het alternatief van het langdurig leegstaan als factoren meegewogen moeten worden. Indien B&W niet overtuigd zijn van het belang van de eigenaar bij tijdelijke verhuur, kunnen zij bijvoorbeeld ook overwegen om het pand te vorderen, zie par. 1.4.
Merkwaardig aan deze regeling is de tijdelijke verhuur in een gebouw. In tegenstelling tot de onder art. 15 lid 1 sub b genoemde woonruimte, is er geen beperking gesteld aan het soort gebouw, dat voor tijdelijke verhuur in aanmerking komt. Ieder gebouw, al dan niet voorheen verhuurd of al dan niet voor de verkoop bestemd, kan tijdelijk verhuurd worden, mits voldaan is aan bovenstaande voorwaarden. Het is noch duidelijk, noch logisch waarom voor in een gebouw te verhuren woonruimte een dergelijke algemene mogelijkheid om aan de dwingendrechtelijke regeling van de art. 1623a e.v. BW te ontsnappen, is geschapen.