Antikraak

Antikraak is het tijdelijk in gebruik nemen van leegstaande gebouwen om te voorkomen deze gekraakt worden. Pandeigenaren schakelen hiervoor een antikraakbureau in, die kamers in het gebouw weer in gebruik geeft aan antikrakers of kraakwachten. Vaak worden in grote gebouwen een of twee mensen tijdelijk gehuisvest, zodat er sprake is van gebruik en het pand dus niet gekraakt kan worden. Deze mensen worden dan zonder huurrechten in het pand gehuisvest. Deze situatie is niet altijd even legaal, en gaat vaak tegen het bestemmingsplan in, zodat de huurders er altijd van de ene op de andere dag weer kunnen worden uitgezet, ook al doet het antikraakcontract soms anders vermoeden. De meeste antikraakbureaus spreken de intentie, maar niet de garantie, uit dat ze bij beëindiging van de woonovereenkomst een ander antikraakpand ter beschikking te zullen stellen. In het contract staat vaak vermeld dat de bewoners niet werkelijk bewoners zijn maar beheerders van het onroerend goed. Doordat antikrakers geen echte bewoners zijn (en er juridisch geen sprake is van gebruik), kan het pand direct na het vertrek van de antikrakers weer gekraakt worden. Bij reguliere bewoners dient het pand eerst een jaar niet meer gebruikt te worden.

Tijdelijke verhuur in de leegstandswet

Met de regeling tijdelijke verhuur werd beoogd de leegstand op te heffen, veroorzaakt door eigenaren die geen huurovereenkomst willen sluiten betreffende 1623a-woonruimte. De tijdelijke verhuur betreft een huurovereenkomst voor bepaalde, korte duur. Andere soorten huurovereenkomsten van korte duur zijn:

  1. Een gebruik naar zijn aard van korte duur (art. 1623a lid 1 BW). Op deze huurovereenkomst zijn de art. 1623a e.v. BW niet van toepassing; zie hoofdstuk V, par. 2.6.
  2. De huurovereenkomst voor (gemeentelijke) slooppanden (art. 1623a lid 1 BW), Op deze huurovereenkomst is slechts een beperkt aantal regels van de art. 1623a e.v. BW van toepassing; zie hoofdstuk V, par. 2.7.
  3. De huurovereenkomst voor bepaalde tijd, de zogenaamde 'tussenhuur' (art. 1623e lid 1, sub 2 en lid 2 BW). Op deze huurovereenkomst zijn alle regels van de art. 1623a e.v. BW van toepassing. Voor deze overeenkomst bestaat een speciale opzeggingsgrond. Zie hoofdstuk V, par. 5.3.

Het meest kenmerkende verschil met de hierboven genoemde overeenkomsten voor korte duur is het feit dat voor tijdelijke verhuur een vergunning van B&W vereist is. De tijdelijke verhuur uit Hoofdstuk V van de Leegstandswet (Lw) lijkt inhoudelijk het meest op de huurovereenkomst voor slooppanden. Vgl. de uitspraak van Ktr. Beetsterzwaag 11 juni 1993, WR 1993, 59: betwijfeld werd of B k W terecht een vergunning voor tijdelijke verhuur (aan zichzelf!) hadden afgegeven, maar desalniettemin werd deze overeenkomst ook als een huurovereenkomst voor een (gemeentelijke) sloopwoning in de zin van art. 1623a lid 1 BW opgevat.

Hoofdstuk V van de Lw is, ook gezien haar strekking, slechts toepasselijk op drie categorieen panden, aldus art. 15 lid 1 Lw:

  1. op woonruimte in een gebouw;
  2. op woonruimte in een voor de verkoop bestemde woning, die nog nooit bewoond is geweest (nieuwbouw), of de twaalf voorafgaande maanden door de eigenaar is bewoond, of in tien jaar slechts drie jaar verhuurd is. Het betreft hier dus particuliere koopwoningen. Zie voor 'de rek' in deze categorie woningen: Pres. Rb. Utrecht, 19 juli 1990, KG 1990, 260, en
  3. op woonruimte in een voor de verhuur bestemde woning, die bestemd is voor afbraak of vernieuwbouw.

Voorwaarden voor tijdelijke verhuur

De voorwaarden voor het aangaan van een tijdelijke huurovereenkomst in de zin van Hoofdstuk V van de Lw zijn:

  1. Er moet een vergunning door B & W afgegeven worden (art. 15 lid 1). De vergunning wordt slechts eenmaal voor hetzelfde gebouw of dezelfde woning verleend voor ten hoogste twee jaren. Deze duur kan door B & W verlengd worden tot maximaal drie jaar (lid 4). In het arrest van Hof Amsterdam 15 januari 1998, Prg. 1998, 4976 werd geoordeeld dat een vergunning die in eerste instantie voor een langere termijn dan twee jaar werd afgegeven niet aan een onherstelbaar, tot nietigheid leidend, gebrek leed, nu de wet verlenging van de duur van twee jaar toestaat, mits de duur in totaal niet langer is dan drie jaar.
  2. De woning, of het gebouw, moet leegstaan in de zin van art. 1 lid 1 sub d Lw (art. 15 lid 3 sub a).
  3. Van de eigenaar kan in redelijkheid niet verlangd worden dat hij de woning, of het gebouw, op andere wijze dienstbaar maakt aan de voIkshuisvesting (art. 15 lid 3 sub b). Het college van B&W dient dit te toetsen alvorens een vergunning te verlenen.
  4. De te verhuren woonruimte moet in voldoende mate bewoond worden (art. 15 lid 3 sub c). B&W toetsen dit ook. De eigenaar die een vergunning vraagt zal dus met een concreet bewoningsvoorstel moeten komen.
  5. De huurder moet in de schriftelijke huurovereenkomst op de hoogte gebracht worden van het feit dat het hier een tijdelijke huurovereenkomst betreft, het tijdvak waarvoor de vergunning is verleend en de daarin vermelde huurprijs (art. 16 lid 10). Is aan deze eisen niet voldaan, dan zijn de gewone regels van de art. 1623a e.v. BW van toepassing met alle gevolgen van dien, zie bijvoorbeeld Pres. Rb. Haarlem 24 mei 1995, WR 1995, 107.
  6. De vergunning kan alleen worden verleend aan de eigenaar; dat is op grond van art. 1 lid 1 sub c degene die bevoegd is tot het in gebruik geven van een woning of een gebouw. Onder deze definitie valt dus niet alleen degene die het eigendomsrecht van het betreffende pand heeft, doch ook een beperkt zakelijk gerechtigde of bijvoorbeeld een huurder, mits zij bevoegd zijn het pand in gebruik te geven aan een derde.

De kern van de tijdelijke verhuur-regeling is gelegen in de formulering van art. 15 lid 3 sub b: 'van de eigenaar kan in redelijkheid niet verlangd worden …'. Dit is het geval wanneer de eigenaar onevenredig benadeeld zou worden door een beroep op huurbescherming. Zie ook de Circulaire aan de gemeentebesturen van 5 november 1985, MG 85-32 (Stcrt. 1985, 221), waarin gesteld wordt dat het financieel belang van de eigenaar en het alternatief van het langdurig leegstaan als factoren meegewogen moeten worden. Indien B&W niet overtuigd zijn van het belang van de eigenaar bij tijdelijke verhuur, kunnen zij bijvoorbeeld ook overwegen om het pand te vorderen, zie par. 1.4.

Merkwaardig aan deze regeling is de tijdelijke verhuur in een gebouw. In tegenstelling tot de onder art. 15 lid 1 sub b genoemde woonruimte, is er geen beperking gesteld aan het soort gebouw, dat voor tijdelijke verhuur in aanmerking komt. Ieder gebouw, al dan niet voorheen verhuurd of al dan niet voor de verkoop bestemd, kan tijdelijk verhuurd worden, mits voldaan is aan bovenstaande voorwaarden. Het is noch duidelijk, noch logisch waarom voor in een gebouw te verhuren woonruimte een dergelijke algemene mogelijkheid om aan de dwingendrechtelijke regeling van de art. 1623a e.v. BW te ontsnappen, is geschapen.

 
landelijke_kraakhandleiding/antikraak.txt · Laatst gewijzigd: 2009/09/24 09:48 door ppp
 
Recent changes RSS feed Powered by PHP Valid XHTML 1.0 Valid CSS Driven by DokuWiki